ECLI:NL:RVS:2026:2000
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling zonder vereiste zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Bij besluit van 4 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze bepaling implementeert artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Opvangrichtlijn. Uit deze richtlijn en andere Unierechtelijke regelgeving volgt niet dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn vereist is voor bewaring die niet op uitzetting is gericht.
De Afdeling ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, mede gelet op eerdere arresten zoals Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling. Het hoger beroep bevat geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. De Afdeling ziet ook geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de bewaring van appellant en verklaart het hoger beroep ongegrond.