ECLI:NL:RVS:2026:2000
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring zonder zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 4 maart 2026 in bewaring. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit op 23 maart 2026 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze bepaling implementeert artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Opvangrichtlijn. Uit de richtlijn en andere Unierechtelijke regelgeving volgt niet dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn vereist is voor bewaring die niet op uitzetting is gericht.
De Afdeling zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en vond geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.