ECLI:NL:RVS:2026:2025

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
202501570/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
  • J.Th. Drop
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:112 AwbArt. 8:115 AwbArt. 31 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel en terugwijzing zaak

Betrokkene, met de Somalische nationaliteit stellende, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 8 februari 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de taalanalyse van TOELT niet als relevant bewijs voor de nationaliteit van betrokkene erkende en dat de rechtbank de minister een te vergaande onderzoeksplicht oplegde omtrent de verschillende nationaliteitsregistraties in andere EU-landen.

Verder stelde de Afdeling vast dat de rechtbank niet had onderkend dat het aan betrokkene was om aannemelijk te maken dat hij de Somalische nationaliteit van zijn ouders had verkregen, en dat de minister dit terecht niet aannam vanwege onvoldoende bewijs.

Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij de rechtbank ook de overige beroepsgronden moet beoordelen, waaronder de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond en het terugkeerbesluit voor Ethiopië.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.

Uitspraak

202501570/1/V2.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Asiel en Migratie,
2.       [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 maart 2025 in zaak nr. NL24.5168 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 11 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. van den Hombergh, advocaat in Nijmegen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene stelt de Somalische nationaliteit te hebben. Hij heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat zijn ouders in 1991 vanuit Somalië naar Ethiopië zijn gevlucht, waar hij in 2000 is geboren. In 2011 is het gezin aangevallen en zijn de broer en moeder van betrokkene gedood. Betrokkene heeft verklaard dat hij daarom door zijn oom is opgehaald en meegenomen naar Zuid-Somalië, waar hij drie jaar heeft verbleven.
1.1.    De minister heeft de identiteit en nationaliteit van betrokkene ongeloofwaardig geacht en zijn herkomst deels geloofwaardig. Hij heeft het geloofwaardig geacht dat betrokkene afkomstig is uit Yoocaale, Ethiopië, en dat hij daar is opgegroeid, maar ongeloofwaardig dat hij de Somalische nationaliteit bezit en drie jaar in Zuid-Somalië heeft verbleven. Betrokkene heeft namelijk geen identificerende documenten overgelegd. Daarnaast staat hij in Zweden, Duitsland en Frankrijk geregistreerd als staatloos, dan wel met de Somalische of Ethiopische nationaliteit. Verder heeft een taalanalyse van Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) bevestigd dat betrokkene in Ethiopië is opgegroeid, omdat hij eenduidig te herleiden is tot de spraakgemeenschap daar. Uit de taalanalyse is ook gebleken dat de spraak van betrokkene geen enkel element bevat dat wijst op een langer verblijf in Zuid-Somalië. Wat betreft de door betrokkene in beroep overgelegde verklaring van de Somalische ambassade dat hij de Somalische nationaliteit heeft, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het onduidelijk is op basis van welk onderzoek de ambassade die verklaring heeft afgegeven. Hij heeft er daarom niet de waarde aan gehecht die betrokkene eraan gehecht wil zien. De minister heeft de problemen die betrokkene stelt te hebben meegemaakt in Zuid-Somalië niet beoordeeld, omdat hij het ongeloofwaardig heeft geacht dat betrokkene de Somalische nationaliteit heeft.
Oordeel van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het niet geloofwaardig is dat betrokkene de Somalische nationaliteit heeft. Zij is de minister gevolgd in zijn standpunt over de geringe bewijskracht van de in beroep overgelegde verklaring van de Somalische ambassade. Voor zover de minister zijn standpunt heeft gebaseerd op de taalanalyse van TOELT, volgt de rechtbank dat echter niet, omdat het gestelde verblijf van betrokkene in Somalië niet van belang is voor de beoordeling van zijn nationaliteit. Wat betreft de verschillende registraties van zijn nationaliteit in andere EU-landen, heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister die nader moet onderzoeken, omdat er concrete aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de verschillen verklaarbaar zijn. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de minister ten onrechte geen standpunt heeft ingenomen over de vraag of het aannemelijk is dat de ouders van betrokkene in 1991 van Somalië naar Ethiopië zijn gevlucht, zoals zoveel Somaliërs in die periode, en dat zij nooit de Ethiopische nationaliteit hebben verkregen.
Hoger beroep van de minister
3.       De minister klaagt in zijn eerste grief tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat hij zijn standpunt dat het ongeloofwaardig is dat betrokkene de Somalische nationaliteit heeft, niet mede heeft kunnen baseren op de taalanalyse van TOELT.
3.1.    De Afdeling merkt allereerst op dat in de vakbijlage van TOELT van mei 2020 staat dat een taalanalyse door de IND wordt ingezet in zaken waarin twijfel is gerezen over de door een vreemdeling opgegeven herkomst en/of etniciteit. Volgens de vakbijlage is een taalanalyse nadrukkelijk geen nationaliteits- of identiteitsonderzoek. Een taalanalyse zegt in het algemeen ook niets over het gebied of de gebieden waar iemand slechts korte tijd heeft verbleven. Een taalanalyse is een onderzoek naar de spraak van een vreemdeling en de vraag of deze overeenkomt met die van het gestelde herkomstgebied. Dit wordt bevestigd in de Werkinstructie 2022/4. Hoewel een taalanalyse behulpzaam kan zijn om gerezen twijfel over een gestelde identiteit of nationaliteit weg te nemen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:2810, onder 2.7.1), is de bruikbaarheid ervan in dit geval beperkt, omdat betrokkene heeft verklaard niet in Somalië, maar in Ethiopië te zijn opgegroeid. Dit komt overeen met de door TOELT getrokken conclusie dat betrokkene te herleiden is tot het Somalische gedeelte van Ethiopië. Die conclusie betekent in dit geval niet dat het ongeloofwaardig is dat betrokkene de Somalische nationaliteit heeft.
3.2.    De eerste grief slaagt niet.
4.       De minister klaagt in zijn tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij de verschillen in de registraties van de nationaliteit van betrokkene in de andere EU-lidstaten moet onderzoeken.
4.1.    De rechtbank heeft overwogen dat er concrete aanknopingspunten zijn om te denken dat de verschillende registraties verklaarbaar zijn. Zij heeft erop gewezen dat uit de asielprocedure in Nederland blijkt dat de geboorteplaats van betrokkene, Yoocaale, die in de regio Somalië in Ethiopië ligt, tot verwarring kan leiden over zijn nationaliteit. Zo staat in de ‘ID Staat vreemdelingenrecht’, het proces-verbaal van het gehoor bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van 11 oktober 2021, de verslagen van het aanmeldgehoor Dublin van 27 oktober 2021 en het nader gehoor van 6 december 2022 dat betrokkene is geboren in Yoocaale, Somalië. Tegelijkertijd blijkt nergens uit dat betrokkene heeft willen suggereren dat hij in het land Somalië is geboren. Uit de registraties van de nationaliteiten volgt ook dat betrokkene weliswaar met verschillende nationaliteiten staat geregistreerd, maar wel telkens met als geboorteplaats Yoocaale. Daarom kan volgens de rechtbank niet worden uitgesloten dat ook in de procedure in de andere landen verwarring is ontstaan tussen het land Somalië en de gelijknamige Ethiopische regio.
4.2.    De minister betoogt terecht dat de rechtbank van een onjuiste bewijslastverdeling is uitgegaan en hem een te vergaande onderzoeksplicht heeft opgelegd. Ingevolge artikel 31 van Pro de Vw 2000 is het aan een vreemdeling om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2998. Het door de rechtbank toegepaste criterium dat niet kan worden uitgesloten dat in de andere lidstaten verwarring is ontstaan, past niet in die gebruikelijke bewijslastverdeling. De minister stelt in dat verband terecht dat, voor zover er al uit moet worden gegaan van verwarring bij de Nederlandse autoriteiten over de geboorteplaats van betrokkene, dat niet betekent dat dit ook het geval is geweest bij de autoriteiten van Zweden, Duitsland en Frankrijk. De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat betrokkene zelf geen aanknopingspunten heeft gegeven voor het oordeel dat daar daadwerkelijk sprake van is geweest, terwijl het wel aan hem is om dat te doen. Dit geldt temeer, omdat betrokkene heeft verklaard dat hij in zowel Duitsland als Zweden een volledige asielprocedure heeft doorlopen en dat hij zichzelf in staat acht om Duits en Zweeds te spreken. De minister stelt terecht dat daarom in beginsel mag worden aangenomen dat betrokkene voldoende de gelegenheid heeft gehad om - al dan niet met hulp van een rechtsbijstandsverlener - mogelijkheden te verkennen en te benutten om de volgens hem onjuiste registraties recht te zetten. Er is niet gebleken dat betrokkene dat heeft geprobeerd en hij heeft ook niet uitgelegd waarom dat in zijn geval niet mogelijk was. Tot slot voert de minister terecht aan dat de overweging van de rechtbank - dat er mogelijk verwarring is ontstaan over de regio Somalië en het gelijknamige land - geen verklaring biedt voor de omstandigheid dat betrokkene ook eenmaal als staatloos staat geregistreerd.
4.3.    De tweede grief slaagt.
5.       De minister klaagt in zijn derde grief over het oordeel van de rechtbank dat hij het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat hij niet is ingegaan op de vraag of het aannemelijk is dat de ouders van betrokkene in 1991 naar Ethiopië zijn gevlucht, zoals zoveel Somaliërs in die periode, en zij als vluchtelingen daar nooit de Ethiopische nationaliteit hebben verkregen. De minister betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij de Somalische nationaliteit heeft gekregen door zijn ouders en dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij daar niet in is geslaagd.
5.1.    Dit betoog slaagt. De minister heeft zich in het voornemen, waarvan de inhoud deel uitmaakt van het besluit, op het standpunt gesteld dat hij betrokkene niet volgt in zijn verklaring dat hij door zijn ouders de Somalische nationaliteit heeft gekregen. Volgens de minister heeft betrokkene de Somalische nationaliteit van zijn ouders niet met documenten onderbouwd en blijkt bovenal uit de registratie in de andere EU-lidstaten dat hij verschillende nationaliteiten heeft opgegeven. Ter zitting van de rechtbank heeft de minister onderkend dat er veel Somalische vluchtelingen in de regio Somalië in Ethiopië verblijven, maar heeft hij zijn standpunt herhaald dat betrokkene er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij de Somalische nationaliteit heeft gekregen door zijn ouders, omdat er, alles in samenhang bezien, te veel twijfel is. Mede gelet daarop moet het standpunt van de minister zo worden begrepen dat, ook als wordt uitgegaan van de verklaringen van betrokkene over de vlucht van zijn ouders, dit onverlet laat dat het aan hem is om de Somalische nationaliteit van zijn ouders en daarmee zijn eigen nationaliteit voldoende aannemelijk te maken, en dat hij daarin niet is geslaagd. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister daarmee het vluchtverhaal van de ouders wel bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de nationaliteit heeft betrokken.
5.2.    De derde grief slaagt.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene
6.       Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep gegrond is (artikel 8:112, eerste lid, van de Awb). Omdat dit hoger beroep, gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, gegrond is, wordt deze voorwaarde vervuld en beoordeelt de Afdeling het incidenteel hoger beroep van betrokkene inhoudelijk.
7.       Betrokkene klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgronden over de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond en het terugkeerbesluit voor Ethiopië.
7.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het ongeloofwaardig is dat betrokkene de Somalische nationaliteit heeft. Daarom heeft zij het beroep gegrond verklaard en is zij aan de bespreking van de beroepsgronden over de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond en het terugkeerbesluit voor Ethiopië terecht niet toegekomen. De grieven slagen daarom niet.
Conclusie
8.       Het hoger beroep van de minister is gegrond en het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. Ook roepen het hogerberoepschrift en het incidenteel hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Dit betekent dat de rechtbank ook zal moeten ingaan op de beroepsgronden over de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond en het terugkeerbesluit voor Ethiopië. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 maart 2025 in zaak nr. NL24.5168;
IV.      wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
363-1048