Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2026

Raad van State

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
202600953/2/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot toelating bachelorproject na afwijzing faculteitsbestuur

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen beslissingen van het faculteitsbestuur van de Faculteit der Bètawetenschappen die haar toelating tot een bachelorproject afwezen. Het College van Beroep voor de Examens (CBE) verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het administratief beroep dat verzoekster hiertegen had ingesteld.

Verzoekster heeft daarop de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die het CBE verplicht haar toe te laten tot het bachelorproject gedurende de behandeling van het beroep.

De voorzieningenrechter heeft bij mondelinge uitspraak op 9 april 2026 een voorlopige voorziening getroffen die inhoudt dat verzoekster tot en met 17 april 2026 aan het bachelorproject mag deelnemen. Dit is een ordemaatregel in afwachting van de voortzetting van de behandeling van het beroep, waarbij het CBE het verzoek van verzoekster per ommegaande aan de examencommissie zal voorleggen voor een beslissing. Op 17 april 2026 zal de behandeling worden voortgezet en zal ook worden beslist over eventuele opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening en over proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Verzoekster wordt tot 17 april 2026 toegelaten tot het bachelorproject middels voorlopige voorziening.

Uitspraak

202600953/2/A2.
Datum uitspraak: 9 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend in ]woonplaats],
verzoekster,
en
het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (CBE),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 9 april 2026 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter
griffier: mr. M. Rijsdijk
jurist: mr. J.R. van Asselt
Verschenen:
[verzoekster], bijgestaan door mr. B. Salamat, rechtsbijstandsverlener in Enschede;
het CBE (via videoverbinding), vertegenwoordigd door mr. S.A. Snoeren, vergezeld door A.A. Moerkerken en M.H. Siderius.
Bij beslissing van 31 maart 2026 heeft het CBE zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door [verzoekster] ingestelde administratief beroep. Dit administratief beroep was ingesteld tegen beslissingen van 25 november 2025 en 19 januari 2026 van het faculteitsbestuur van de Faculteit der Bètawetenschappen, waarbij het verzoek van [verzoekster] om toelating tot een bachelorproject is afgewezen. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het CBE te verplichten haar hangende het beroep toe te laten tot het bachelorproject.
De voorzieningenrechter:
treft een voorlopige voorziening, die inhoudt dat het CBE ervoor zorg draagt dat [verzoekster] de toegang tot het bachelorproject behoudt tot en met 17 april 2026.
Gronden:
•       Bij e-mail van 2 april 2026 heeft het CBE desgevraagd medegedeeld dat [verzoekster] aan het bachelorproject mag deelnemen tot de behandeling ter zitting van de voorlopige voorziening bij de Afdeling op 9 april 2026. De behandeling van het verzoek is door de voorzieningenrechter geschorst en wordt op 17 april 2026 voortgezet;
•       Na afweging van de betrokken belangen treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening die inhoudt dat [verzoekster] aan het bachelorproject mag blijven deelnemen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het CBE het initiële verzoek van [verzoekster] per ommegaande aan de examencommissie zal voorleggen om een beslissing daarover te verkrijgen, waarna op 17 april 2026 een nadere behandeling van het beroep zal plaatsvinden, waarbij ook aan de orde zal komen de mogelijkheid tot opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening.
•       bij de beslissing over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening zal over een eventuele proceskostenvergoeding worden beslist.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Rijsdijk
griffier
705-1175