202402833/1/A3.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Sweet Sense B.V., gevestigd in Eindhoven, en [appellant], wonend in Bradford, Verenigd Koninkrijk, appellanten (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Sweet Sense),
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 maart 2024 in zaak nr. 22/2026 in het geding tussen:
Sweet Sense
en
de burgemeester van Eindhoven.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2022 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellant] voor het verkrijgen van een exploitatievergunning voor horecagelegenheid ‘Sweet Sense B.V.’ afgewezen.
Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de burgemeester het door Sweet Sense daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 maart 2024 heeft de rechtbank het door Sweet Sense daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft Sweet Sense hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester en Sweet Sense hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nr. 202402838/1/A3, op een zitting behandeld op 13 februari 2026.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. [appellant] is bestuurder en enig aandeelhouder van Sweet Sense B.V. Hij heeft op 21 juni 2021 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een exploitatievergunning voor horecagelegenheid ‘Sweet Sense B.V.’, gevestigd aan de Kruisstraat 175 in Eindhoven. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) gevraagd een onderzoek in te stellen naar de bij Sweet Sense betrokken personen en ondernemingen. Op 12 oktober 2021 en op 7 januari 2022 heeft het LBB een advies uitgebracht.
2. De burgemeester heeft de exploitatievergunning op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) geweigerd, omdat er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen. De burgemeester heeft het daartegen door Sweet Sense gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het door Sweet Sense daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar wegens een motiveringsgebrek vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester bij de onderbouwing van het ernstig gevaar ten onrechte heeft meegewogen dat een aantal bij Sweet Sense betrokken personen zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan mensenhandel, omdat inmiddels is gebleken dat zij daarvan zijn vrijgesproken.
De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. Daartoe is van belang dat de burgemeester naar aanleiding van de vrijspraak om een aanvullend Bibob-advies heeft gevraagd. Naar aanleiding van dit advies heeft de burgemeester in zijn aanvullend verweerschrift uiteengezet dat de vrijspraak geen gevolgen heeft voor de geweigerde exploitatievergunning. Volgens de burgemeester blijft er sprake van ernstig gevaar en kan de weigering daarom in stand blijven. Het zakelijk samenwerkingsverband van Sweet Sense met
[persoon A] en de strafbare feiten die [persoon A] vermoedelijk verweten kunnen worden, zijn doorslaggevend voor zijn besluit. De burgemeester heeft volgens de rechtbank terecht het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband tussen Sweet Sense en [persoon A] aangenomen. Daarbij is sprake van een schijnconstructie die de feitelijke exploitatie door [persoon A] verhult. In het advies van het LBB wordt deze conclusie onderbouwd aan de hand van diverse politieregistraties, processen-verbaal, berichten op Facebook en een eerdere samenwerking met [persoon B]. Sweet Sense heeft de juistheid van deze onderbouwing niet gemotiveerd betwist. Het geven van een voorstelling van zaken die erop neerkomt dat [persoon A] er alleen maar af en toe was, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat geen sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband.
Sweet Sense heeft de strafbare feiten waaraan [persoon A] zich schuldig heeft gemaakt of de strafbare feiten waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat hij zich daaraan schuldig heeft gemaakt niet betwist. Ook de ernst daarvan is niet betwist. De ernst en het aantal strafbare feiten maakt dat de burgemeester de mate van gevaar nog steeds als ernstig heeft mogen beoordelen. De burgemeester heeft, gelet op het ernstige gevaar, geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om voorschriften aan de vergunning te verbinden. Omdat de burgemeester terecht een zakelijk samenwerkingsverband met [persoon A] heeft aangenomen en het bestaan van een schijnconstructie, heeft de burgemeester het verbinden van voorschriften aan de vergunning niet effectief en handhaafbaar mogen vinden. De burgemeester heeft het besluit van de burgemeester om aan Sweet Sense geen exploitatievergunning te verlenen naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig hoeven vinden.
4. Sweet Sense is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingediend.
Hoger beroep
Is er een zakelijk samenwerkingsverband met [persoon A]?
5. Sweet Sense bestrijdt dat zij een zakelijk samenwerkingsverband met [persoon A] heeft. Daartoe voert zij aan dat [persoon A] niet in loondienst is en ook niet is geweest. Verder is [persoon A] geen aandeelhouder of bestuurder van Sweet Sense geweest. Ook is hij nooit formeel of informeel ingehuurd en heeft hij geen feitelijk rol in de onderneming. De enkele omstandigheid dat hij feitelijk aanwezig is geweest in de onderneming, betekent niet dat hij enige feitelijke zeggenschap heeft of invloed heeft op de gang van zaken bij Sweet Sense. Sweet Sense bestrijdt dat er sprake is van een schijnconstructie die de feitelijke exploitatie door [persoon A] verhult. De burgemeester heeft dat op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Uit de politieregistraties en de berichten op Facebook blijkt volgens Sweet Sense niet dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband.
5.1. In wat Sweet Sense heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank, zoals weergegeven in de onder 4.9 opgenomen overwegingen. In aanvulling daarop verwijst de Afdeling naar dat wat op pagina 13 tot en met 20 van het advies van het LBB van 8 juni 2023 is vermeld. Gelet op de hierin vermelde politieregistraties heeft de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat [persoon A] in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot Sweet Sense omdat daaruit blijkt dat hij de horecaonderneming feitelijk exploiteert. Het betoog slaagt daarom niet.
Voorschriften verbinden aan de exploitatievergunning?
6. Sweet Sense betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester het niet effectief en haalbaar heeft mogen vinden om voorschriften aan de vergunning te verbinden. Volgens Sweet Sense had de burgemeester door middel van voorschriften kunnen bepalen dat [persoon A] geen enkele feitelijke of juridische verbondenheid met haar mag hebben.
6.1. In wat Sweet Sense heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de onder 4.12 opgenomen overwegingen. Het betoog slaagt niet.
Evenredigheidstoets
7. Sweet Sense voert verder aan dat de evenredigheidtoets onjuist is toegepast. Zij heeft de nadelige gevolgen van het besluit wel degelijk concreet onderbouwd. De weigering van de exploitatievergunning betekent dat de onderneming feitelijk dicht moet zijn en geen inkomsten kan generen. De omstandigheid dat in de Kruisstraat sprake is van een concentratie van panden en ondernemingen met overtredingen van uiteenlopende aard, is niet relevant.
7.1. Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob vindt weigering dan wel intrekking slechts plaats als deze evenredig is met de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten. De burgemeester heeft zich met verwijzing naar het advies van het LBB van 8 juni 2023 redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen en dat de strafbare feiten ernstig zijn. Dit standpunt is gebaseerd op feiten en omstandigheden die erop wijzen en ernstig doen vermoeden dat [persoon A] herhaaldelijk strafbare feiten heeft gepleegd. Het gaat om het vermoedelijk overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen, de Arbeidstijdenwet en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 6 juli 2018. Ook betreft het handelen in strijd met de Opiumwet op 29 november 2006 en 4 oktober 2012, het plegen van mishandeling op 13 juni 2014 en 3 februari 2011, het plegen van merkenfraude op 22 mei 2014 en het plegen van diefstal op 26 september 2012. Sweet Sense heeft de ernst van de strafbare feiten niet betwist.
De weigering van de exploitatievergunning betekent volgens
Sweet Sense dat de onderneming feitelijk dicht moet en geen inkomsten kan genereren. De Afdeling overweegt dat deze gevolgen onlosmakelijk verbonden zijn aan de weigering van een exploitatievergunning. Het feit dat Sweet Sense de onderneming heeft geëxploiteerd zonder te beschikken over een exploitatievergunning, komt voor haar eigen risico en biedt daarom geen grond voor het oordeel dat de weigering niet evenredig is met de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Sweet Sense heeft verder geen concrete gevolgen naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de weigering niet evenredig is. Sweet Sense is niet ter zitting verschenen en heeft niet gemotiveerd waarom de burgemeester bij zijn oordeel over de mate van gevaar volgens haar ten onrechte de situatie in de Kruisstraat van belang heeft geacht.
Het betoog slaagt niet.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
8. Sweet Sense voert aan dat haar onderneming is gevestigd naast horecaonderneming Kingz Burger B.V.. De burgemeester heeft een aanvraag van Kingz Burger voor een exploitatievergunning aanvankelijk geweigerd. Ook in die zaak was de vraag aan de orde of er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband met [persoon A]. De rechtbank heeft op 26 juni 2023 uitspraak gedaan in die zaak en geoordeeld dat de aanvraag van Kingz Burger voor een exploitatievergunning opnieuw beoordeeld moet worden vanwege de vrijspraak van [persoon A]. Vervolgens heeft de burgemeester, nadat het LBB opnieuw een advies had uitgebracht, de exploitatievergunning alsnog op 1 februari 2024 verleend. Sweet Sense verzoekt de Afdeling om dat advies op te vragen, om te kunnen beoordelen waarom in die zaak, ondanks de rol van [persoon A], geen sprake meer is van een ernstig gevaar en in haar geval wel. Volgens Sweet Sense moet, net zoals in de zaak van Kings Burger B.V., ook in haar geval een nader advies aan het LBB worden gevraagd.
8.1. De Afdeling ziet geen aanleiding om het nadere advies van het LBB op te vragen dat in de zaak van Kings Burger is uitgebracht na de vrijspraak van [persoon A]. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding om de burgemeester op te dragen om opnieuw een advies aan het LBB op te vragen. Daartoe is van belang dat de burgemeester naar aanleiding van de vrijspraak van [persoon A] in dit geval al een nader advies aan het LBB heeft gevraagd. De enkele omstandigheid dat het LBB in de zaak van Kingz Burger na de vrijspraak van [persoon A] anders heeft geoordeeld dan in dit geval, kan geen afbreuk doen aan de juistheid van het oordeel van het LBB. Daartoe is van belang dat het oordeel van het LBB tot stand is gekomen op basis van de feiten en omstandigheden van het geval. De burgemeester heeft voldoende onderbouwd dat die feiten en omstandigheden bij Kingz Burger anders waren dan in dit geval. Zo was de onderneming van Kingz Burger, anders dan in dit geval, feitelijk nog niet geopend en ontbrak daarom informatie over de feitelijke exploitatie van die onderneming. Voor zover Sweet Sense met haar betoog een beroep wil doen op het gelijkheidsbeginsel, kan dat alleen al daarom niet slagen.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd.
10. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van
mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
BIJLAGE
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Artikel 3
1. Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
[…]
b. strafbare feiten te plegen.
5. De weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van gevaar en
b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.