ECLI:NL:RVS:2026:2041
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigend vonnis verblijfsvergunning
De minister van Asiel en Migratie wees op 1 februari 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de minister, verklaarde de rechtbank Den Haag op 3 maart 2026 het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep nader onderzoek vereist en dat de procedure voor een voorlopige voorziening geschikt is om de uitvoering tijdelijk op te schorten.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan het vonnis van de rechtbank totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.