ECLI:NL:RVS:2026:2043
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang en uitzetting asielzoeker
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 23 mei 2025 is afgewezen. De rechtbank heeft op 16 maart 2026 het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de voorgenomen beëindiging van de opvang en uitzetting van verzoeker op 14 april 2026 niet mag plaatsvinden totdat het hoger beroep is beslist. Dit omdat de noodzakelijke stukken voor de beoordeling van het hoger beroep nog niet zijn ontvangen. De voorlopige voorziening is derhalve getroffen om verzoeker te beschermen tegen onomkeerbare gevolgen.
Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, dat geheel toe te rekenen is aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A. Kuijer, in aanwezigheid van griffier D.I. van Kesteren, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.