Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2050

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
202500817/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onrechtmatige bewaring en toekenning proceskosten aan betrokkene

De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 29 januari 2025 in bewaring. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 4 februari 2025 de bewaring onrechtmatig verklaarde, de maatregel ophefte en proceskosten toekende.

De minister ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de bewaring onrechtmatig was vanwege een ernstige schending van het fundamentele recht van betrokkene op vrijheid. De grief van de minister dat er geen sprake was van kwade trouw of misleiding faalde.

De Afdeling verwees naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie en bevestigde dat er geen aanleiding was voor prejudiciële vragen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00 aan betrokkene.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met toekenning van proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

202500817/1/V3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 februari 2025 in zaak nr. NL25.4300 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onrechtmatigheid in de eerdere maatregel in dit geval doorwerkt in de maatregel van bewaring van 29 januari 2025, omdat er sprake is van een ernstige schending van het fundamentele recht van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld. De grief van de minister dat in dit geval geen sprake is van kwade trouw of misleiding door de autoriteiten als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024, Bouskoura, ECLI:EU:C:2024:868, faalt. In dat arrest heeft de Afdeling geen aanleiding gezien om haar rechtspraak te wijzigen. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943, onder 4-7.4.
1.1.    Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof, zoals toegepast door de Afdeling. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
347-1149