AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Wijziging persoonsgegevens in basisregistratie afgewezen wegens onvoldoende bewijs onjuistheid
De appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld om zijn persoonsgegevens in de basisregistratie persoonsgegevens (brp) te wijzigen naar gegevens die hij onderbouwde met een Chinees paspoort uit 2014 en andere documenten. Het college wees dit verzoek af omdat niet onomstotelijk was vastgesteld dat de huidige gegevens onjuist waren en omdat de wijziging neerkwam op een identiteitswijziging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het paspoort van 2014 een brondocument is dat buiten redelijke twijfel juist is en dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden bij de afgifte van het paspoort.
De Afdeling vernietigde het besluit van het college en het vonnis van de rechtbank, en bepaalde dat het college binnen vier weken de inschrijving in de brp moet wijzigen conform het paspoort van 2014. Tevens werd een aanvullende schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van bijna twee jaar, en werden proceskosten vergoed.
De uitspraak benadrukt het belang van het paspoort als bewijsmiddel en de bewijslastverdeling waarbij het college moet aantonen dat het paspoort onbetrouwbaar is om wijziging te weigeren. De Afdeling stelde dat algemene twijfels over afgiftepraktijken onvoldoende zijn zonder concrete individuele omstandigheden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen de persoonsgegevens in de basisregistratie te wijzigen conform het paspoort van 2014.
Uitspraak
202205817/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Bocholtz, gemeente Simpelveld,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 augustus 2022 in zaak nr. 20/3081 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld.
Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om zijn persoonsgegevens in de basrisregistratie persoonsgegevens (brp) te wijzigen afgewezen.
Bij besluit van 30 september 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 augustus 2022 heeft de rechtbank voor zover van belang het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2026, waar [appellant], vergezeld van een tolk en bijgestaan door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.E.M. Jeukens en M.H. Gorsic, via videoverbinding zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.
Rectificatieverzoek
2. [appellant] is in de brp opgenomen onder de naam [naam appellant], geboren op [geboortedatum] 1985 te [plaats], China. Dit is gebeurd op basis van een door hem op 18 oktober 2001 in de gemeente Ooststellingwerf onder belofte afgelegde verklaring over zijn persoonsgegevens als bedoeld in artikel 36 vanPro de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens, thans artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp).
Op 30 januari 2020 heeft [appellant] het college verzocht deze persoonsgegevens te wijzigen naar [andere naam], geboren op [geboortedatum] 1978 te [plaats], China. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft hij een Chinees paspoort overgelegd, afgegeven door de Chinese ambassade te Den Haag op [datum] 2014 op naam van [naam], geboren op [geboortedatum] 1978, te [plaats]. Verder heeft [appellant] nog andere documenten overgelegd, zoals een notariële verklaring, een kopie van een verklaring uit het register Permanent verblijf, een kopie van een paspoort uit 1999 en een kopie van een notariële verklaring.
Besluitvorming college
3. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat de in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn. Het college heeft daarbij van belang geacht dat [appellant] zoveel persoonsgegevens wil wijzigen dat dit neerkomt op een identiteitswijziging.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn verzoek tot wijziging van zijn persoonsgegevens terecht heeft afgewezen. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte het college is gevolgd in het standpunt dat de in het paspoort van 2014 vermelde persoonsgegevens niet hoeven te worden verwerkt in de brp. Hij wijst erop dat het een authentiek paspoort betreft, dat is afgegeven door de Chinese ambassade in Den Haag. Omdat het paspoort dateert uit 2014, moet worden aangenomen dat het onderzoek door de Chinese autoriteiten behoorlijk en overeenkomstig de plaatselijke voorschriften heeft plaatsgevonden. [appellant] wijst er verder op dat het paspoort een foto van hem bevat en dat het college heeft erkend dat het paspoort alle echtheidskenmerken bevat. Indien het college van oordeel is dat aan het paspoort geen bewijskracht toekomt, had het een deskundigenadvies moeten vragen, hetgeen niet is gebeurd. Verder voert [appellant] aan dat hij behalve het paspoort uit 2014 ook andere, deels gelegaliseerde, documenten heeft overgelegd. Al deze documenten bevestigen de naam en geboortedatum, zoals vermeld in het paspoort van 2014. Deze documenten kunnen daarom als bewijs dienen dat zijn persoonsgegevens moeten worden gewijzigd, aldus [appellant].
Beoordelingskader
4.1. De Afdeling heeft in haar overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken nader uiteengezet. Bij rectificatieverzoeken moet beoordeeld worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van gelijke of hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, worden de gegevens, waar het om gaat in de brp gewijzigd.
4.2. In de overzichtsuitspraak heeft de Afdeling het beoordelingskader voor paspoorten verduidelijkt. Een paspoort waarin de feiten worden vermeld waarover het verzoek tot opneming gaat, kan een document als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet Brp zijn (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 127). Aan het paspoort wordt in het internationale rechtsverkeer een belangrijke bewijsfunctie toegekend. Daarom is de bewijslastverdeling bij paspoorten anders dan bij andere d-documenten.
Als het door de aanvrager overgelegde document een paspoort is en het college betwist dat dit overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt, draagt het college daarvoor de bewijslast. In de regel zal het dan een deskundigenadvies moeten overleggen. Dit kan een advies zijn over de echtheidskenmerken van het paspoort. Het college moet zich er op grond van artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat het deskundigenadvies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is.
De aanvrager kan een contra-expertise overleggen.
Uit het hierboven genoemde kader volgt dat het college, als het de gegevens uit een echt bevonden paspoort niet wil volgen, aannemelijk zal moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of de gegevens onjuist zijn. De bewijslast ligt op dit punt bij het college. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk met betrekking tot paspoorten in de afgevende staat, bijvoorbeeld door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich hebben voorgedaan, is hiervoor onvoldoende. Aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden kunnen echter, eventueel in samenhang met kennis over de algemene afgiftepraktijk, wel voldoende zijn om aannemelijk te maken dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.
4.3. Het enkele feit dat een paspoort een Chinees paspoort van voor 2012 vervangt, is onvoldoende om van kennelijk onbehoorlijk onderzoek bij de afgifte van het vervangende paspoort te spreken. Zoals in de uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198 is overwogen, geldt dat in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort moet worden uitgegaan. Dit uitgangspunt geldt ook voor Chinese paspoorten afgegeven na 2012 die een paspoort van voor 2012 vervangen.
Toepassing beoordelingskader
5. Tussen partijen is niet in geschil dat het paspoort van 27 mei 2014 een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Verder betwist het college de authenciteit van het paspoort niet. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het paspoort geen inzicht geeft in de administratieve grondslag waarop de daarin vermelde persoonsgegevens zijn gebaseerd. Met deze algemene, niet nader onderbouwde stelling heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Er zijn ook geen andere aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden die steun bieden voor het standpunt van het college dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de gegevens in het paspoort van [appellant] juist zijn. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de overzichtsuitspraak niet dat dat er nimmer redelijke twijfel kan bestaan. Maar het college zal dan wel aannemelijk moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of de gegevens onjuist zijn. In dit geval heeft het college geen aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden naar voren gebracht die dergelijke redelijke twijfel oproepen.
Omdat het college evenmin betwist dat [appellant] kan worden geïdentificeerd als de persoon op wie het paspoort betrekking heeft, is de conclusie dat buiten redelijke twijfel uit het paspoort volgt dat de gegevens juist zijn en betrekking hebben op [appellant].
De conclusie is dat de gegevens uit het paspoort in de brp moeten worden gewijzigd. Omdat daarmee alle door [appellant] gewenste wijzigingen worden doorgevoerd, behoeven de overige aangeleverde documenten geen bespreking.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 30 september 2020 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
7. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 11 mei 2020 te herroepen. De juistheid van de in het paspoort van 27 mei 2014 vermelde persoonsgegevens is buiten redelijke twijfel vast komen te staan. De Afdeling zal het college opdragen om de bestaande inschrijving binnen vier weken na verzending van deze uitspraak in de brp te wijzigen zoals hierna bepaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
8. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
9. [appellant] heeft de Afdeling verzocht om een aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
10. De Afdeling beoordeelt de vraag of de redelijke termijn is overschreden naar de stand van de zaak op het moment van haar uitspraak. Daarbij wordt de duur van de totale procedure in ogenschouw genomen. Voor het toekennen van een aanvullende schadevergoeding bestaat aanleiding als het bedrag dat de rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend, lager is dan het door de Afdeling vast te stellen bedrag, waarop degene die verzoekt om schadevergoeding recht heeft.
11. Het college heeft het bezwaar van [appellant] ontvangen op 18 juni 2020. De procedure is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van heden. De procedure heeft dus in totaal vijf jaar en 10 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee overschreden met een jaar en 10 maanden. Met een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding in totaal
€ 2 000,00. Omdat de rechtbank [appellant] een bedrag van € 500,00 heeft toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep, bestaat aanleiding om [appellant] een aanvullende schadevergoeding van € 1.500,00 toe te kennen.
12. De Staat moet de proceskosten vergoeden in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van
25 augustus 2022 in zaak nr. 20/3081 voor zover de rechtbank daarbij het beroep ongegrond heeft verklaard;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld van 30 september 2020, kenmerk 140420;
IV. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld van 11 mei 2020;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak de bestaande inschrijving van Lang [appellant] te wijzigen in [naam], geboren op [geboortedatum] 1978 in [woonplaats] [woonplaats], China;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld tot vergoeding van bij Lang [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld aan Lang [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 452,00 vergoedt;
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Lang [appellant] een aanvullende schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn;
X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Lang [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
818
BIJLAGE
Artikel 2.8
(…)
2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 vanPro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
(…)
Artikel 2.10
(…)
2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.
3. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
(…)
Artikel 2.58
1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 vanPro de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.
2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.