ECLI:NL:RVS:2026:2066
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vernietiging en verwijdering van politiegegevens in strafrechtelijk onderzoek
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellanten tegen besluiten van de minister van Financiën die hun verzoeken om verwijdering van politiegegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) hebben afgewezen. De gegevens betreffen een klantdossier dat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) bij een clouddienstaanbieder is gevorderd en uitgeleverd.
De strafrechter heeft de vorderingen aan de clouddienstaanbieder rechtmatig bevonden, maar bepaald dat het klantdossier moest worden vernietigd omdat er geen noodzaak meer was voor het gebruik ervan in het onderzoek. De minister heeft aanvankelijk de verwijderingsverzoeken afgewezen, later toegewezen door het ontoegankelijk maken van de gegevens (uitgrijzen), maar vervolgens weer afgewezen omdat de wijze van vernietiging niet via de Wpg kan worden aangevochten.
De rechtbank heeft het beroep van appellanten ongegrond verklaard, omdat de bestuursrechter niet inhoudelijk mag oordelen over de vernietiging van strafvorderlijke gegevens die onder de procedure van artikel 552a Wetboek van Strafvordering valt. De Afdeling bevestigt dit oordeel en overweegt dat het vernietigingsrecht van artikel 552a Sv voorrang heeft op artikel 28 Wpg Pro. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen wordt afgewezen, maar het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000,- schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt toegewezen.