AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestemmingsplan Hertelerweg 3: uitbreiding agrarisch loonwerkbedrijf en overlastbezwaar
De raad van de gemeente Doetinchem stelde op 24 november 2022 het bestemmingsplan 'Hertelerweg 3 - 2022' vast, waarin het agrarisch loonwerk- en grondverzetbedrijf van Hofstad positief werd bestemd met een mogelijke uitbreiding op het buitenterrein. Appellanten, wonend naast het perceel en houders van paarden, ervoeren overlast en vreesden verdere uitbreiding, waarop zij beroep instelden.
De raad stelde op 30 januari 2025 een herstelbesluit vast, waarbij de geluidsregels voor avond- en nachtperiode werden geschrapt omdat het bedrijf alleen overdag actief is. Appellanten voerden onder meer aan dat zij niet voldoende waren betrokken, dat het plan onduidelijkheid schept over het toegestane bedrijf, dat het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast, en dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet correct is toegepast.
De Afdeling oordeelde dat de wijzigingen in het herstelbesluit ondergeschikt zijn en dat hernieuwde inspraak niet verplicht was. Het begrip 'agrarisch loonwerk- en grondverzetbedrijf' is voldoende duidelijk en het plan voldoet aan de eisen van rechtszekerheid. De raad heeft de belangen zorgvuldig afgewogen, met inachtneming van milieuregels en de VNG-brochure, en mocht afwijken van de richtafstand voor geluid. De ladder voor duurzame verstedelijking is correct toegepast en het plan maakt een uitbreiding van het bestaande bedrijf mogelijk, geen nieuwvestiging.
Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond, het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De Afdeling kent appellanten een schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de raad tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het herstelbesluit wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk, en een schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
202300535/1/R4.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Gaanderen, gemeente Doetinchem,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Doetinchem,
verweerder.
-
Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Hertelerweg 3 - 2022" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Op 30 januari 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Hertelerweg 3 - 2022" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door M. Steenbeek, is verschenen. Voorts is Hofstad Grondwerken B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 17 maart 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op het perceel Hertelerweg 3 in Gaanderen is een loonwerk- en grondverzetbedrijf gevestigd van Hofstad met bijbehorende loods. Met het plan wordt dit bedrijf positief bestemd. Daarnaast maakt het plan een uitbreiding van het bedrijf mogelijk op het buitenterrein rondom de loods. De uitbreiding gaat volgens de toelichting om manoeuvreerruimte, opslag van onder meer grond in verzamelvakken van maximaal 2 m hoog en een wasruimte voor de machines van het bedrijf. Het grootste deel van het perceel behoudt de bestemming "Agrarisch met waarden".
2.1. [appellant A] en [appellant B] wonen op het naastgelegen perceel, [locatie], en houden hobbymatig paarden. [appellant A] en [appellant B] ervaren overlast van het bedrijf en vrezen verdere uitbreiding van de bedrijfsvoering. Daarnaast schrikken hun paarden van de activiteiten van het bedrijf. Ook om deze reden hebben zij beroep ingesteld.
Herstelbesluit
3. De raad heeft bij besluit van 30 januari 2025 het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld omdat de aan het bedrijf eerder in het besluit van 24 november 2022 geboden geluidsruimte voor de avond- en nachtperiode niet noodzakelijk is. Het bedrijf van Hofstad is uitsluitend van 07:00 tot 19:00 uur actief. Om die reden hoeft volgens de raad niets geregeld te worden voor de geluidsbelasting in de avond en nacht in het bestemmingsplan. De raad heeft de toelichting in de zienswijzenota op dit punt aangevuld. Daarnaast heeft de raad artikel 4, vierde lid, onder c, van het oorspronkelijke plan geschrapt en het akoestisch onderzoek verwijderd uit de bijlage bij de regels.
3.1. Met het herstelbesluit van 30 januari 2025 is het besluit van 24 november 2022 vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Omdat het herstelbesluit niet geheel aan het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegemoetkomt, heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op dit herstelbesluit.
De Afdeling zal eerst het beroep tegen het herstelbesluit beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 24 november 2022.
Wettelijk kader
4. De relevante bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inspraak
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad hen niet heeft betrokken bij het herstelbesluit terwijl het plan juist door hun inbreng is gewijzigd.
6.1. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan een besluit als bedoeld in artikel 6:19 vanPro de Awb dat strekt tot wijziging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel moet voorbereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb indien het oorspronkelijke besluit met toepassing van die afdeling is voorbereid. Hierop bestaat een uitzondering als de aanpassing naar aard en omvang niet zo groot is dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:369, overweging 25.2.
De met het herstelbesluit aangebrachte wijzigingen in het bestemmingsplan zijn naar het oordeel van de Afdeling in dit geval ondergeschikt. De wijzigingen hebben immers alleen betrekking op het vervallen van de regels voor geluidshinder in de avond en nacht. Om die reden hoefde de raad afdeling 3.4 van de Awb niet toe te passen op de voorbereiding van het herstelbesluit. Daarom hoefde de raad [appellant A] en [appellant B] ook niet opnieuw in de gelegenheid te stellen om een zienswijze in te dienen.
Overigens heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling voldoende ingespannen om [appellant A] en [appellant B] te informeren. De raad heeft hen per brief in kennis gesteld van het voornemen om het plan opnieuw vast te stellen. Ook zijn zij uitgenodigd voor de raadsvergadering op 30 januari 2025.
Het betoog slaagt niet.
Wat maakt het plan mogelijk?
7. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat niet duidelijk is wat voor soort bedrijf het plan op het perceel toestaat. In het plan is namelijk niet gedefinieerd wat een "agrarisch loonwerk- en grondverzetbedrijf" is. Bovendien betwisten [appellant A] en [appellant B] dat het bedrijf agrarisch is omdat op de website staat dat het zich (ook) richt op particulieren. [appellant A] en [appellant B] stellen daarom dat het plan in strijd is met de rechtszekerheid.
7.1. In de planregels is inderdaad geen omschrijving gegeven aan het begrip "agrarisch loon- en grondverzetbedrijf". Naar het oordeel van de Afdeling is dat ook niet nodig omdat het begrip op zichzelf duidelijk is. Door de toevoeging van het woord "agrarisch" wordt duidelijk gemaakt dat de loonwerk- en grondverzetwerkzaamheden verricht worden ten behoeve van de agrarische sector. Daarnaast heeft de raad nog gewezen op het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, waarin ook een duidelijke definitie van het begrip staat. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het ontbreken van een definitie in de planregels kan leiden tot een rechtsonzekere situatie.
Voor zover [appellant A] en [appellant B] aanvoeren dat de werkzaamheden van het bedrijf niet (uitsluitend) voor de agrarische sector worden uitgevoerd, is dit een kwestie van handhaving.
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat
8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de milieugevolgen van het bedrijf. Dat een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) is geaccepteerd betekent nog niet dat de milieugevolgen van het bedrijf op deze locatie toelaatbaar zijn, aldus [appellant A] en [appellant B]. Zij stellen dat getoetst moet worden aan de VNG-brochure Bedrijven- en milieuzonering omdat het plan voorziet in "nieuwvestiging" van een bedrijf. Volgens die brochure valt een agrarisch loonwerk- en grondverzetbedrijf onder categorie 3.1 en geldt voor geluid een voorkeursafstand van 50 meter tot woningen. De woning van [appellant A] en [appellant B] ligt op een afstand van ruim 20 meter en voldoet daarmee niet aan de voorkeursafstand. Zij hebben bovendien met name last van het toegestane verruimde gebruik van het buitenterrein. De werkzaamheden op dat terrein veroorzaken ook trillinghinder.
Voor zover de raad stelt dat het plan in overeenstemming wordt gebracht met het feitelijk gebruik, voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat dit komt omdat hun bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor de loods destijds ten onrechte niet is behandeld. Volgens hen heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met hun belangen en vooral aan het belang van Hofstad een zwaar gewicht toegekend. Dit klemt te meer omdat de raad in het verleden een ernstige fout heeft gemaakt door het bedrijf op het perceel mogelijk te maken. [appellant A] en [appellant B] wijzen in dit verband ook op een in 2005 door het college van gedeputeerde staten van Gelderland ingenomen standpunt dat grondverzetbedrijven in beginsel thuishoren op een industrieterrein en niet in het buitengebied.
Verder voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat het plan leidt tot verkeersaantrekkende werking omdat ook detailhandel op het perceel is toegestaan. Zij menen dat de raad dit ten onrechte niet heeft beoordeeld.
8.1. De Afdeling stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bedrijf van Hofstad onder milieucategorie 3.1 valt en dat niet wordt voldaan aan de daarbij behorende voorkeursafstand voor geluid als bedoeld in de VNG-brochure.
De aanbevolen richtafstanden in de VNG-brochure gaan over de afstand tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste ligging van een woning die op grond van een bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De in de brochure opgenomen afstanden zijn echter indicatief, zodat daarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:288, overweging 14.2.
De raad heeft in de zienswijzenota gemotiveerd waarom in dit geval van de richtafstand voor geluid kan worden afgeweken. De werkzaamheden vinden uitsluitend overdag plaats tussen 07:00 en 19:00 uur en omvatten 14 verkeersbewegingen per dag, waarvan 10 door personen- en bestelauto’s en 4 door vrachtwagens en tractoren. De voertuigen worden gereinigd op een op de verbeelding aangewezen locatie gedurende één uur per dag. Ook worden de voertuigen gedurende 5 minuten per dag getankt. Verder gebeurt het laden en lossen van zand en grond met een kraan gedurende 20 minuten per dag.
8.2. De Afdeling begrijpt dat partijen een voorgeschiedenis hebben en dat [appellant A] en [appellant B] vinden dat zij benadeeld zijn doordat de raad in het verleden de loods op het perceel van Hofstad heeft toegestaan. Deze vergunning is echter onherroepelijk en hier kan in deze procedure niet meer tegenop gekomen worden. De loods hoort bij het bedrijf van Hofstad in die zin dat hierin materieel en machines worden opgeslagen. Daarmee is het een gegeven dat er werkzaamheden van Hofstad op het perceel plaatsvinden. De raad heeft met de vaststelling van dit bestemmingsplan geprobeerd om duidelijkheid te scheppen over de aard en inrichting van het bedrijf. Dat de situatie daarmee erger wordt gemaakt volgt de Afdeling niet. De raad heeft de belangen van [appellant A] en [appellant B] zorgvuldig afgewogen door regels te stellen aan de omvang van het bedrijf. Het bouwen van gebouwen is op het perceel uitgesloten zodat voorkomen wordt dat het bedrijf verder kan uitbreiden met nieuwe bebouwing. Voor zover zich in de toekomst een ander (soort) bedrijf op het perceel vestigt, mag dit uitsluitend tot en met milieucategorie 2. Dit is minder belastend dan de huidige situatie. Voor de wasplaats geldt daarnaast nog in het bijzonder dat deze links van de bedrijfsloods ligt, zodat die loods een afschermende werking heeft voor het perceel van [appellant A] en [appellant B]. Daarnaast zijn de gevolgen onderzocht en ook daaruit kan niet worden afgeleid dat het plan niet in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] aanvoeren geen grond voor het oordeel dat het bedrijf zorgt voor onaanvaardbare geluidsoverlast ter plaatse van de woning van [appellant A] en [appellant B]. Om die reden mocht de raad in dit geval afwijken van de richtafstand voor geluid.
Al het voorgaande in overweging genomen komt de Afdeling tot de conclusie dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] niet onevenredig wordt aangetast.
8.3. Ten slotte stelt de Afdeling vast dat detailhandel uitsluitend toegestaan is op 10% van de bruto-vloeroppervlakte en alleen in ter plaatse geproduceerde goederen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich daarom op het standpunt mogen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] ook niet onevenredig wordt aangetast door mogelijke detailhandel. Daarbij merkt de Afdeling op dat detailhandel ook al in de aan het plan voorafgaande beheersverordening "Landelijk gebied - 2020, reparatie 2022" was toegestaan.
Overigens heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat Hofstad geen goederen ter plaatse produceert. Dit is gezien de aard van het bedrijf ook niet waarschijnlijk. Hofstad heeft dit niet weersproken.
Het betoog slaagt niet.
Ladder voor duurzame verstedelijking
9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de verrichte toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking in de plantoelichting ondeugdelijk is. Zij stellen dat sprake is van een nieuwe ontwikkeling en dat de raad de stedelijke gevolgen hiervan moet toetsen. Volgens hen bestaat echter geen behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling, omdat de op- en overslag van materialen ook elders kan komen. [appellant A] en [appellant B] kunnen zich ook niet vinden in het standpunt van de raad dat planologische medewerking gewenst is, omdat anders sprake zou zijn van kapitaalvernietiging gelet op de vergunde loods. Volgens hen is dit een gevolg van een door de raad gemaakte fout.
9.1. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing voor alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van het hiervoor genoemde artikel nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.
9.2. De Afdeling stelt vast dat tussen partijen geen discussie bestaat dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De raad heeft de toets van de ladder voor duurzame verstelijking doorlopen en gemotiveerd dat het plan voorziet in een actuele kwalitatieve behoefte waarin niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. De Afdeling kan die conclusie volgen omdat de stedelijke ontwikkeling alleen betrekking heeft op een buitenterrein dat is gekoppeld aan het al gevestigde bedrijf met daarbij behorende loods. Het is niet reëel om op een andere locatie uit te breiden juist vanwege deze koppeling met het al gevestigde bedrijf op het perceel. De raad heeft bij zijn afweging tussen de behoefte en het bestaande aanbod dan ook van belang mogen achten dat voor de op het perceel aanwezige loods een omgevingsvergunning is verleend die onherroepelijk is waardoor het ook wenselijk is dat het buitenterrein door Hofstad kan worden gebruikt voor haar bedrijf.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsverordening
10. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad het plan niet had mogen vaststellen omdat artikel 2.12, derde lid, van de Omgevingsverordening Gelderland (de Omgevingsverordening) niet van toepassing is. Volgens [appellant A] en [appellant B] wordt als gevolg van het plan op- en overslag van materialen toegestaan en dit is een geheel andere vorm van bedrijvigheid dan het (voorheen) gevestigde loonwerk- en grondverzetbedrijf. Om die reden is geen sprake van een uitbreiding van het bedrijf, maar van geheel nieuwe bedrijvigheid.
10.1. Naar het oordeel van de Afdeling maakt het plan een uitbreiding van het bestaande bedrijf mogelijk. Vast staat immers dat het bedrijf van Hofstad al langere tijd op het perceel gevestigd is. Weliswaar maakt het plan op- en overslag mogelijk ter plaatse van de ingetekende sleufsilo, maar dit betekent niet dat een nieuw bedrijf wordt gevestigd op het perceel. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat sprake is van nieuwvestiging en daarmee strijdig is met de Omgevingsverordening slaagt om die reden niet.
Landschappelijke inpassing
11. [appellant A] en [appellant B] betogen ten slotte dat het plan geen verplichting bevat om maatregelen ten behoeve van de landschappelijke versterking in stand te houden. Hofstad heeft in dit kader een kikkerpoel, grasland en beplanting rondom het perceel aangelegd. [appellant A] en [appellant B] vrezen dat Hofstad deze maatregelen ongedaan zal maken.
11.1. Artikel 8.1, sub a en onder 10, van de planregels verbiedt het verwijderen of niet in stand houden van de beplanting die is aangebracht in het kader van de landschappelijke inpassing van het perceel, zoals neergelegd in het erfinrichtingsplan opgenomen als bijlage 7 bij de planregels. Naar het oordeel van de Afdeling biedt dit artikel voldoende waarborg voor het behouden van de landschappelijke versterking.
Het betoog slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
12. [appellant A] en [appellant B] verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
12.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
12.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant A] en [appellant B] ontvangen op 25 januari 2023. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 1 jaar en ruim 2 maanden overschreden.
De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant A] samen met [appellant B] procedeert, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan hen samen in totaal een bedrag van € 1.500,00 wordt toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lange procedure.
Conclusies
Beroep tegen herstelplan van 30 januari 2025
13. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het herstelplan is, gelet op het voorgaande, ongegrond.
Beroep tegen het plan van 24 november 2022
14. Op grond van artikel 6:19, zesde lid, van de Awb staat vervanging van een besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener daarbij belang heeft. Niet is gebleken dat [appellant A] en [appellant B] nog belang hebben bij de behandeling van hun beroep tegen het inmiddels vervangen besluit van 24 november 2022. Het beroep gericht tegen het oorspronkelijke besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Schadevergoeding
15. Het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen voor een bedrag van € 1.500,00.
Proceskosten
16. Omdat de raad op 30 januari 2025 een herstelbesluit heeft genomen, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het door [appellant A] en [appellant B] betaalde griffierecht te vergoeden.
17. De raad moet de proceskosten van [appellant A] en [appellant B] vergoeden die zij hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling rekent daarvoor 1 punt met een wegingsfactor van 0,5.
18.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Doetinchem van 24 november 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hertelerweg 3 - 2022" niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Doetinchem van 30 januari 2025 tot vaststelling het bestemmingsplan "Hertelerweg 3 - 2022" ongegrond;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 1.500,- te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek tot schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen, de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. bepaalt dat de raad van de gemeente Doetinchem aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 voor de behandeling van het beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
700-1187
BIJLAGE
Besluit ruimtelijke ordening
Artikel 3.1.6
[…]
2 De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
[…]
Omgevingsverordening Gelderland 2023
Artikel 2.12 (solitaire bedrijvigheid):
[…]
3 Een bestemmingsplan maakt in het buitengebied uitbreiding van solitaire bedrijvigheid die leidt tot bedrijfsbebouwing groter dan 1.000 vierkante meter en waarbij de uitbreiding zelf groter is dan 250 vierkante meter bedrijfsbebouwing niet mogelijk, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
a. verplaatsing naar een bedrijventerrein in redelijkheid niet mogelijk is;
b. de uitbreiding regionaal is afgestemd;
c. de uitbreiding landschappelijk goed wordt ingepast;
d. de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt met een maatbestemming.
Voorschriften van het plan "Hertelerweg 3 - 2022"
Artikel 1.1 Begrippen
[…]
1.3 Agrarische bedrijvigheid: bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten, zoals het telen van gewassen, het fokken en/of houden van dieren, waaronder productiegerichte paardenhouderijen; […].
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […]
b. een bedrijf met bijbehorende bedrijfsactiviteiten in de vorm van een agrarisch loon- en grondverzetbedrijf; […]
d. detailhandel in ter plaatse geproduceerde goederen voor maximaal 10% van de bruto vloeroppervlakte; […]
en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen.
[…]
4.4.3 Silo's
Bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van verzamelvakken zijn alleen ter plaatse van de aanduiding 'silo' toegestaan.
4.4.4 Strijdig gebruik
Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1 wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan:
a. het gebruiken of het laten gebruiken van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouwen uitgesloten' voor het opslaan van materiaal;
b. het reinigen van materieel op gronden niet voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - wasplaats'.
Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met het plan.
a. Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan (het gebruik als):
[…]
10. het geheel of gedeeltelijk verwijderen of het niet in stand houden van de beplanting die is aangebracht in het kader van de landschappelijke inpassing van het perceel Hertelerweg 3 (kadastraal perceel ambt Doetinchem, sectie H, nummer 1847), een en ander zoals vastgelegd in het erfinrichtingsplan van Stichting Staring Advies, d.d. mei 2014, projectnummer 2287, rapportnummer 1384 (Bijlage 7 Inrichtingsplan Hertelerweg Gaanderen) bij de regels; […].