ECLI:NL:RVS:2026:208

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202405680/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Verklaring Omtrent het Gedrag voor airsoft lidmaatschap na strafrechtelijke veroordeling

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [appellant] tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) door de minister van Justitie en Veiligheid. De aanvraag voor de VOG werd ingediend op 28 december 2021 ten behoeve van een lidmaatschap van de airsoft sportbond Nederlandse Airsoft Belangen Vereniging (NABV). De minister weigerde de VOG op basis van een registratie in het justitieel Documentatie Systeem (JDS) waaruit bleek dat [appellant] op 13 november 2019 in aanraking was gekomen met politie/justitie wegens overtreding van de Wet wapens en munitie. Op 10 maart 2022 werd hij veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank Limburg had eerder de beslissing van de minister in stand gelaten, en [appellant] ging in hoger beroep.

De Afdeling oordeelde dat de minister de afwijzing van de VOG terecht had gemotiveerd. De rechtbank had vastgesteld dat de minister deugdelijk had aangetoond dat het strafbare feit van [appellant] een belemmering vormde voor de uitoefening van de functie waarvoor de VOG was aangevraagd. De rechtbank oordeelde dat de belangen van de samenleving bij bescherming tegen het risico van herhaling van strafbare feiten zwaarder wogen dan de belangen van [appellant] bij het verkrijgen van de VOG. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de minister geen proceskosten hoefde te vergoeden.

Uitspraak

202405680/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 juli 2024 in zaak nr. 22/1650 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2022 heeft de minister de door [appellant] aangevraagde Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) afgewezen.
Bij besluit van 1 juli 2022  heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 24 december 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr J.E.A. Egers aanwezig was.  [appellant] en zijn gemachtigde mr. R.M.M. Jacobs, advocaat in Grevenbicht, hebben de zitting via een videoverbinding bijgewoond.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 28 december 2021 heeft [appellant] een VOG aangevraagd ten behoeve van een lidmaatschap van de airsoft sportbond Nederlandse Airsoft Belangen Vereniging (hierna: de NABV) te Geldermalsen. De minister heeft de afgifte van de VOG geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd. Daaraan heeft hij, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellant] volgens registratie in het justitieel Documentatie Systeem (JDS) op 13 november 2019 met politie/justitie in aanraking is gekomen wegens overtreding van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wmm). [appellant] is op 10 maart 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. De uitspraak van de strafrechter is op 25 maart 2022 onherroepelijk geworden. Het door [appellant] gepleegde strafbare feit is volgens de minister een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. Volgens de minister is daarmee voldaan aan het objectieve criterium. Gelet op het plegen van strafbare feiten die bij uitstek niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag, weegt volgens de minister het belang van de samenleving bij bescherming zwaarder dan het belang van [appellant] bij het verkrijgen van de VOG.
Het toetsingskader
2.       Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving heeft de minister de Beleidsregels VOG NP-RP 2018 (hierna: de Beleidsregels) gehanteerd. Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels wordt, wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS, de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium. Volgens paragraaf 3.2. van de Beleidsregels wordt de afgifte van een VOG in beginsel geweigerd, indien aan het objectieve criterium wordt voldaan. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Volgens paragraaf 3.3. van de Beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang van de aanvrager bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat aan het objectieve criterium wordt voldaan. Bij de toets aan het objectieve en subjectieve criterium heeft de minister beoordelingsruimte.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft de beslissing van de minister in stand gelaten. Zij is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Hieraan heeft de minister ten grondslag mogen leggen dat airsoftapparaten, anders dan [appellant] heeft betoogd, wel degelijk onder de beschrijving van wapens in de Wmm vallen. Hierdoor zijn de openbare orde en veiligheid en daarmee het algemeen belang sterk betrokken bij de regulering van de airsoftsport omdat airsoftapparaten grote gelijkenissen (kunnen) vertonen met vuurwapens. Replica’s van een vuurwapen kunnen op een oneigenlijke manier gebruikt worden, zoals bedreiging. Of een airsoftwapen ook onder de Speelgoedrichtlijn valt of kan vallen doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet af. Daarnaast blijkt volgens de rechtbank uit het JDS dat [appellant] met justitie in aanraking is gekomen en is veroordeeld, juist wegens overtreding van de Wmm. Dat verhoudt zich niet tot het lidmaatschap van een airsoft sportbond. [appellant] heeft zich niet gehouden aan de geldende wet- en regelgeving, terwijl dit wel van hem had mogen worden verwacht. De  rechtbank is ook van oordeel dat bij de beoordeling van het subjectieve criterium de belangenafweging niet in het voordeel van [appellant] had moeten uitvallen. In dat kader heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van [appellant] uitvalt en dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel of onevenredig is. Ten tijde van het bestreden besluit van 1 juli 2022 was sinds de pleegdatum van het strafbare feit ongeveer twee en een half jaar verstreken. Bezien in het licht van de terugkijktermijn van acht jaren, heeft de minister dat volgens de rechtbank te kort kunnen achten om te concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen om vertrekking van de VOG te rechtvaardigen. De minister heeft daarbij mogen meewegen dat aan [appellant] een voorwaardelijke straf is opgelegd en dat de daaraan gekoppelde proeftijd van twee jaar op 1juli 2022 nog niet was verstreken. Volgens de rechtbank weegt het belang van [appellant] bij het uitoefenen van zijn hobby niet op tegen het belang van de veiligheid van de samenleving. Volgens de rechtbank valt voorts niet in te zien dat [appellant] van zijn werkgever nog een sanctie kan verwachten, naast de berisping die hij heeft gekregen vanwege zijn strafrechtelijke veroordeling. De rechtbank heeft tenslotte in het bestreden besluit enkele formele gebreken geconstateerd, welke gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht door de rechtbank zijn gepasseerd.
Hoger beroep
4.       [appellant] vindt in hoger beroep dat de minister zijn beslissing op bezwaar heeft genomen op grond van een incompleet dossier omdat de minister op 1 juli 2022 niet beschikte over de aanvullende gegevens die [appellant] hem bij brief van 23 mei 2022 heeft toegezonden. Daarnaast betoogt [appellant] dat niet is voldaan aan zowel het objectieve als aan het subjectieve criterium. Ten aanzien van het objectieve criterium herhaalt hij dat airsoftapparaten veilige apparaten zijn die weliswaar het doel hebben van nabootsing van een vuurwapen, maar dat niet zijn en alleen op een eigen terrein gebruikt mogen worden. Risico voor maatschappij en burgers is daarmee nagenoeg niet aanwezig. Voorts betoogt hij dat airsoftapparaten vallen onder de Europese Richtlijn Speelgoed en daarmee niet voor afdreiging geschikt zijn. Daarnaast betoogt [appellant] dat het niet verlenen van een VOG ernstige gevolgen kan hebben voor [appellant] nu hij niet kan deelnemen aan zijn sport en het bijbehorende sociale leven.
Beoordeling
5.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12  en volgende en onder 15 en volgende opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. In aanvulling hierop overweegt de Afdeling het volgende.
5.1.    Tijdens de hoorzitting op bezwaar op 16 mei 2022 heeft [appellant], zo blijkt uit het verslag, toegelicht dat hij werkzaam is voor de minister van Defensie, dat hij een Security clearance heeft ontvangen en dat het justitiecontact bij de afgifte hiervan niet in de weg stond. De voorzitter van de hoorcommissie heeft de gemachtigde van [appellant] vervolgens verzocht om toezending van de betreffende Security clearance en de lijst met spullen die (naar de Afdeling begrijpt; door justitie) wel en niet zijn teruggegeven aan [appellant]. In de beslissing op bezwaar van de minister van 1 juli 2022 is opgemerkt dat de minister de betreffende documenten niet had ontvangen. De Afdeling is van oordeel dat die door [appellant] genoemde omstandigheid niet leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek van de beslissing op bezwaar. De minister is in de beslissing op bezwaar bij de toetsing aan het subjectieve criterium er zoals later bleek terecht van  uitgegaan dat [appellant] inderdaad een Security clearance van zijn werkgever had ontvangen. Dat laatste wordt indirect bevestigd door de latere Security clearance van 29 februari 2024 die [appellant] op 29 maart 2024 aan de rechtbank zond. Voor zover [appellant] met het al dan niet teruggeven van spullen door justitie bedoeld heeft te betogen dat hij zijn airsoftapparaten heeft mogen houden doet dat niet af aan de voorwaardelijke veroordeling die hem door de strafrechter is opgelegd. Het weigeren van de VOG heeft daarom, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, alleen tot gevolg dat [appellant] de activiteit airsoft tijdelijk niet kan uitoefenen. Mede gelet op het tijdverloop heeft de rechtbank in dat licht terecht geconcludeerd dat de minister de belangenafweging in het kader van het subjectieve criterium in het nadeel van [appellant] heeft kunnen laten uitvallen. Het betoog faalt.
Slotsom
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
802-1158