Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2085

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
202600416/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging tijdelijke uitschrijving student wegens voortgezet ongewenst gedrag

De student volgt sinds 2021-2022 de bacheloropleiding Ecologische Pedagogiek aan de Hogeschool Utrecht. In het studiejaar 2024-2025 werd zij tijdelijk uitgeschreven wegens ongewenst gedrag. Na herinschrijving per 1 juni 2025 stuurde zij veelvuldig berichten en diende zij klachten in tegen onderwijspersoneel.

De directeur van het Instituut voor Ecologische Pedagogiek besloot op 8 oktober 2025 tot een nieuwe tijdelijke uitschrijving tot 31 augustus 2026, na diverse klachten en het voortzetten van het ongewenste gedrag. Het college van bestuur verklaarde het bezwaar van de student tegen deze maatregel ongegrond.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college de maatregel zorgvuldig heeft afgewogen, rekening houdend met de impact op de leer- en werkomgeving en de noodzaak tot gedragsherstel. De klachten van de student over de secretaris van de directeur maken geen onderdeel uit van de besluitvorming. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft in stand.

Uitkomst: De Raad van State verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de tijdelijke uitschrijving van de student tot 31 augustus 2026.

Uitspraak

202600416/1/A2.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van bestuur van de Hogeschool Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 8 oktober 2025 heeft de directeur van het Instituut voor Ecologische Pedagogiek namens het college [appellante] een maatregel opgelegd, inhoudend dat zij met ingang van 9 oktober 2025 tot maandag 31 augustus 2026 wordt uitgeschreven.
Bij beslissing van 29 januari 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.M. Bertens, advocaat in Utrecht, is verschenen.
Overwegingen
1.       [appellante] volgt sinds collegejaar 2021-2022 de bacheloropleiding Ecologische Pedagogiek aan de Hogeschool Utrecht. In het studiejaar 2024-2025 was zij tijdelijk uitgeschreven bij wijze van maatregel wegens ongewenst gedrag. Nadat zij opnieuw was ingeschreven per 1 juni 2025 stuurde zij veelvuldig berichten en begon zij ook weer met het indienen van klachten tegen onderwijspersoneel. De directeur heeft [appellante] verzocht om een gesprek te voeren over het volgen van onderwijs en haar gedragingen. Na diverse klachten van onderwijspersoneel heeft de directeur besloten [appellante] nogmaals tijdelijk uit te schrijven, dit maal voor de duur van de rest van het collegejaar, dus tot 31 augustus 2026.
De bestreden beslissing
2.       Het college heeft in het besluit van 29 januari 2026 het advies van de geschillenadviescommissie (GAC) integraal overgenomen. Aan het in stand laten van de verwijderingsbeslissing heeft het ten grondslag gelegd dat [appellante] sinds haar herinschrijving per 1 juni 2025 het ongewenste gedrag heeft voortgezet en zelfs geïntensiveerd.
2.1.    In de periode dat [appellante] opnieuw ingeschreven was, heeft zij in drie maanden tijd namelijk 24 klachten ingediend, waarvan tien niet als klachten in formele zin konden worden aangemerkt. Ook diende zij negen herzieningsverzoeken in, waarvan er zeven niet-ontvankelijk waren en één ongegrond. Deze gang van zaken heeft een aanzienlijke impact op de werkbaarheid en veiligheid binnen het instituut. Dat de meeste klachten ongegrond of niet-ontvankelijk waren, ziet het college als een bevestiging van de stelling dat deze niet gericht zijn op het signaleren van daadwerkelijke misstanden, maar worden gebruikt als pressiemiddel. Dit volgt naar het oordeel van het college ook uit de wijze van communiceren naar de betrokken personeelsleden.
2.2.    Ook heeft het college bij haar oordeel betrokken dat [appellante] haar gedrag niet heeft aangepast en dat de eerdere uitschrijving van drie maanden dus niet het beoogde effect heeft gehad. Die omstandigheid maakt dat deze aanvullende maatregel mocht worden genomen. De directeur heeft een proportionaliteitsafweging gemaakt over de duur en aard van de maatregel, waarbij rekening is gehouden met het feit dat een terugkeer aan de start van een leerteam wenselijk is. Terugkeer halverwege een leerteam zou wederom tot onduidelijkheid en verstoringen kunnen leiden bij [appellante] en het onderwijspersoneel. De leerteams kennen twee startmomenten gedurende het collegejaar, in februari en september, de directeur vond terugkeer in februari terecht te snel. De maatregel beoogt ook het herstellen van de leer- en werkomgeving. Deze langere periode biedt gelegenheid tot gedragsherstel en zelfreflectie om herhaling te voorkomen. Het college vindt de maatregel daarom zorgvuldig afgewogen en laat deze in stand.
Beoordeling van het beroep
3.       [appellante] betoogt dat de tijdelijke verwijdering ten onrechte in stand is gelaten. Het college heeft volgens haar niet alle feiten en omstandigheden meegewogen. Ook is de motivering van de beslissing onvoldoende. [appellante] verwijst hiervoor naar de gronden en motivering zoals zij die in eerdere fases heeft ingebracht. In aanvulling hierop betoogt zij dat het college ten onrechte niet is ingegaan op haar klachten over de secretaris van de directeur.
4.       Het college heeft zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat het gedrag van [appellante] een tweede tijdelijke uitschrijving rechtvaardigt. In wat zij in beroep heeft naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel dan het college te komen. Het gedrag is een voortzetting van het gedrag dat ten grondslag lag aan de eerdere tijdelijke verwijdering. De door beide partijen in deze procedure overgelegde communicatie laat nog steeds een beeld zien van onverdraagzaamheid van [appellante] tegen meerdere medewerkers van de Hogeschool Utrecht. De Afdeling voegt hieraan toe dat klachten over feitelijke gedragingen van personen geen onderdeel uitmaken van de besluitvorming over de tijdelijke verwijdering.
Conclusie
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
284-1043