Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2112

Raad van State

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001097
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 14 SchengengrenscodeArt. 6 SchengengrenscodeArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering toegang en oplegging vrijheidsontnemende maatregel door minister

De minister van Asiel en Migratie heeft op 20 februari 2026 besloten appellant de toegang tot Nederland te weigeren en een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat bij de beoordeling van de toegang tot Nederland geen ruimte is voor een Unierechtelijke evenredigheidstoets, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6 van Pro de Schengengrenscode, met name het ontbreken van een geldig reisdocument bij aankomst op Schiphol.

De Afdeling zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en vond geen gronden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. De grieven van appellant werden verworpen en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.001097
Datum uitspraak: 17 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 maart 2026 in zaak nr. NL26.9693 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister appellant de toegang tot Nederland geweigerd en haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.        De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geconcludeerd dat bij de beoordeling of de toegang moet worden geweigerd, geen ruimte meer is voor een Unierechtelijke evenredigheidstoets. Daarbij is van belang dat in artikel 14 van Pro de Schengengrenscode dwingend is bepaald dat de toegang moet worden geweigerd aan personen die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 6. Betrokkene voldeed niet aan deze voorwaarden, omdat zij bij aankomst op Schiphol niet in het bezit was van een geldig reisdocument.
1.1.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de eerste grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.        Ook de tweede en de derde grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1 en 6.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
2.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de tweede en de derde grief geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze grieven geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
3.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026
907