AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet-besluit e-mail minister over niet-betaalde facturen COVID sneltesten
Appellant had met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een overeenkomst gesloten voor het uitvoeren van COVID sneltesten en kon eenmaal per maand een verzamelfactuur indienen. De minister liet onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de facturen en besloot een deel niet te betalen. Appellant diende bezwaar in tegen een e-mail van de minister waarin dit werd bevestigd, maar de minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de e-mail geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de e-mail een privaatrechtelijke aangelegenheid betrof en geen publiekrechtelijke rechtshandeling was. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank het besluitbegrip verkeerd had toegepast en dat de e-mail mogelijk samenhing met een Woo-verzoek, waardoor het wel een besluit zou zijn. Tevens stelde appellant dat het recht op hoor en wederhoor was geschonden door het afwijzen van zijn verzoek om uitstel.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de e-mail geen besluit is en dat bezwaar en beroep niet ontvankelijk zijn. Ook oordeelde de Afdeling dat het recht op hoor en wederhoor niet was geschonden, omdat het verzoek om uitstel wegens vakantie terecht was afgewezen. Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de e-mail van de minister blijft niet-ontvankelijk.
Uitspraak
202504437/1/A3.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 juli 2025 in zaak nr. 24/304 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Openbare zitting gehouden op 8 april 2026 om 16:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. D. Singh
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. H.H.M. Meijroos, advocaat in Den Haag;
de minister, vertegenwoordigd door mr. E.S. Fakili;
[appellant] had met de minister een overeenkomst gesloten waarbij hij als dokter COVID sneltesten zou uitvoeren. [appellant] kon eenmaal per maand een verzamelfactuur verzenden voor de uitgevoerde sneltesten aan het ministerie. De minister heeft onderzoek laten doen naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van de door [appellant] ingediende facturen.
Op 13 april 2022 heeft Ernst & Young Forensic & Integrity Services gerapporteerd over de (administratieve) onderbouwing en de daaraan ten grondslag liggende (administratieve) bescheiden van de door [appellant] gefactureerde sneltesten.
Op 19 mei 2022 heeft de minister aan [appellant] laten weten een deel van de facturen niet te betalen. Op 6 februari 2023 heeft de minister middels een e-mail aan [appellant] nogmaals laten weten een deel van de facturen niet te betalen. Tegen deze e-mail heeft [appellant] bezwaar ingediend. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de e-mail over het niet vergoeden van een aantal declaraties van [appellant] in het kader van de privaatrechtelijke rechtsverhouding, die tussen [appellant] en de Staat is ontstaan, geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.
Bij uitspraak van 4 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling omdat de e-mail van 6 februari 2026 niet is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. Uit de stukken en het e-mailbericht blijkt dat dit bericht verband houdt met een privaatrechtelijke aangelegenheid. Het betreft immers een reactie van de minister op het inzenden van declaraties door [appellant], op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst. Hieruit volgt dat de e-mail van 6 februari 2023 geen besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb is. Omdat de e-mail geen besluit is kan daar ingevolge de artikelen 8:1 en 7:1 van de Awb geen bezwaar tegen worden gemaakt of beroep tegen worden ingesteld. Daarom heeft de minister het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Overwegingen:
1. [appellant] betoogt dat de rechtbank het besluitbegrip verkeerd heeft toegepast. De rechtbank had meer gewicht moeten toekennen aan de materiële inhoud van de e-mail. Ook stelt [appellant] dat hij stukken nodig heeft die hij bij de minister heeft opgevraagd op grond van de Wet open overheid (Woo). Als blijkt dat de e-mail van 6 februari 2023 samenhangt met zijn Woo-verzoek, dan is die e-mail volgens [appellant] gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. De rechtbank had daarom moeten onderzoeken of de e-mail samenhangt met de afwijzing van het Woo-verzoek. Verder betoogt [appellant] dat hij geen nadere gronden kan formuleren zolang die Woo-procedure niet is afgerond. Dat is waarom hij bij de rechtbank heeft verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft het recht op hoor en wederhoor geschonden door zijn verzoek om uitstel af te wijzen, aldus [appellant].
2. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5. opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de e-mail geen besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb omdat geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarom kan daartegen geen bezwaar worden gemaakt of beroep worden ingesteld. Verder is de Afdeling van oordeel dat het recht op hoor en wederhoor niet is geschonden. Uit de stukken blijkt dat de gemachtigde van [appellant] heeft verzocht om uitstel van de zitting bij de rechtbank vanwege vakantie. Omdat uitstel in uitzonderlijke gevallen wordt verleend en vakantie niet zo een geval is, heeft de rechtbank dit verzoek mogen afwijzen.