Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2128

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
202406703/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag Nederlands paspoort wegens nietige erkenning kind

Appellanten hebben een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort voor hun kind, dat in Turkije is geboren en bij geboorte de Turkse nationaliteit verkreeg. De vader, die op het moment van erkenning gehuwd was met een andere vrouw, erkende het kind in 2009. De minister stelde de aanvraag buiten behandeling wegens nietigheid van de erkenning, omdat erkenning door een gehuwde man destijds in strijd was met de openbare orde.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en oordeelde dat de wetswijziging van 1 april 2014, die erkenning door een gehuwde man toestaat, niet met terugwerkende kracht geldt. Het toepasselijke recht is dat van het moment van erkenning. Ook was niet vastgesteld dat er een band bestond die gelijkgesteld kon worden aan een huwelijk of een nauwe persoonlijke betrekking tussen vader en kind.

In hoger beroep betoogden appellanten dat de wetswijziging de nietigheid van de erkenning ongedaan maakt en dat het kind daardoor Nederlanderschap heeft verkregen. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt dit niet en bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Afdeling wijst erop dat de wetswijziging niet met terugwerkende kracht geldt en dat de situatie niet vergelijkbaar is met een eerdere zaak waarin erkenning na 2014 plaatsvond.

De aanvraag blijft daarom terecht buiten behandeling en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aanvraag voor een Nederlands paspoort blijft buiten behandeling wegens nietige erkenning.

Uitspraak

202406703/1/A3.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2024 in zaak nr. 24/2081 in het geding tussen:
[appellanten]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Openbare zitting gehouden op 8 april 2026 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. D. Singh
Verschenen:
de minister, vertegenwoordigd door mr. J.L.K. Hu en M.R. Bechan;
[appellant A] is op [datum] 1982 gehuwd met [partner]. Op 4 oktober 1994 heeft [appellant A] het Nederlanderschap verkregen. Op [geboortedatum] 2009 is het kind, [naam kind], van [appellanten], geboren in Turkije. Het kind verkreeg bij de geboorte de Turkse nationaliteit. [appellanten] zijn niet getrouwd. [appellant B] heeft de Turkse nationaliteit. Op 7 december 2009 heeft [appellant A] het kind erkend, terwijl hij gehuwd is met [partner].
[appellanten] hebben een aanvraag voor een Nederlands paspoort voor hun kind ingediend. De minister heeft de aanvraag bij besluit van 18 oktober 2021 buiten behandeling gesteld omdat sprake is van een nietige erkenning waardoor het kind daar het Nederlanderschap niet aan kan ontlenen. Het kind is namelijk in het buitenland erkend door zijn Nederlandse vader die ten tijde van de erkenning was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind. Dat is in strijd met de openbare orde. Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het feit dat het Burgerlijk Wetboek per 1 april 2014 is gewijzigd, waardoor erkenning door een gehuwde man wel is toegestaan, niet maakt dat het kind van [appellant A] aan de erkenning het Nederlanderschap kan ontlenen. De wetswijziging voorziet niet in overgangsrecht en volgens het nationaliteitsrecht moet worden uitgegaan van het recht dat van toepassing is wanneer een rechtsfeit zich voordoet. Dat betekent dat het moment van de erkenning bepaalt welk recht van toepassing is op de afstamming en eventuele verkrijging van het Nederlanderschap. Daarnaast is ten tijde van het besluit van 30 januari 2024 niet door een civiele rechter vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen [appellanten] een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen of dat tussen [appellant A] en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestond, zodat het kind op deze grond alsnog het Nederlanderschap had verkregen. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht de aanvraag om afgifte van een Nederlands paspoort aan het kind niet in behandeling heeft genomen. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Overwegingen:
1.       [appellanten] betogen in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de nieuwe wetgeving die met de wetswijzing van 1 april 2014 in werking is getreden, niet van toepassing is. Volgens [appellanten] is de nietigheid van de erkenning van rechtswege ongedaan gemaakt door de wetswijziging. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel waaraan in afstammingskwesties groot belang moet worden gehecht, dient de destijds gedane erkenning rechtsgevolg te hebben. Concreet betekent dit dat het kind wel het Nederlanderschap heeft verkregen. Verder verwijzen zij ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:721. De minister heeft gelet op het voorgaande ten onrechte de aanvraag om afgifte van een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen, aldus [appellanten].
2.       De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.2. tot en met 7. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het moment van erkenning bepaalt welk recht van toepassing is. Verder is de Afdeling van oordeel dat het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:721, niet slaagt. In die zaak was namelijk sprake van een erkenning na 1 april 2014 door een bigaam gehuwde man, terwijl in dit geval sprake is van een erkenning van vóór 1 april 2014.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Singh
griffier
990