ECLI:NL:RVS:2026:2130
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen wijziging geslachtsnaam dochter ondanks schending hoorplicht
Appellant en partij hebben samen een dochter die sinds haar geboorte de geslachtsnaam van appellant draagt. Partij verzocht op 15 november 2022 om wijziging van de geslachtsnaam van hun dochter. De staatssecretaris voor Rechtsbescherming wees dit verzoek bij besluit van 18 augustus 2023 toe. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 21 november 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank bij uitspraak van 28 oktober 2024 het beroep van appellant ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij met partij en hun dochter had samengewoond, zoals vereist voor zijn standpunt. Tevens stelde de rechtbank vast dat de staatssecretaris in strijd met de hoorplicht had gehandeld door appellant niet tijdig te informeren over de inhoud van de hoorzitting van partij tijdens de bezwaarprocedure. Dit werd echter gepasseerd omdat appellant zijn standpunten alsnog in het beroepschrift en tijdens de zitting had kunnen toelichten en daardoor niet in zijn belangen was geschaad.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk met partij en hun dochter had samengewoond en dat het passeren van het gebrek in de hoorplicht onterecht was. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Zij vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer dan een vierde deel van de periode voorafgaand aan de verzorgingstermijn met partij en hun dochter had samengewoond. Ook vond de Afdeling dat het passeren van het gebrek terecht was omdat appellant niet benadeeld was door de schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de wijziging van de geslachtsnaam van zijn dochter wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris blijft in stand.