Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2130

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
202407418/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing beroep tegen wijziging geslachtsnaam dochter ondanks schending hoorplicht

Appellant en partij hebben samen een dochter die sinds haar geboorte de geslachtsnaam van appellant draagt. Partij verzocht op 15 november 2022 om wijziging van de geslachtsnaam van hun dochter. De staatssecretaris voor Rechtsbescherming wees dit verzoek bij besluit van 18 augustus 2023 toe. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 21 november 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank bij uitspraak van 28 oktober 2024 het beroep van appellant ongegrond.

De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij met partij en hun dochter had samengewoond, zoals vereist voor zijn standpunt. Tevens stelde de rechtbank vast dat de staatssecretaris in strijd met de hoorplicht had gehandeld door appellant niet tijdig te informeren over de inhoud van de hoorzitting van partij tijdens de bezwaarprocedure. Dit werd echter gepasseerd omdat appellant zijn standpunten alsnog in het beroepschrift en tijdens de zitting had kunnen toelichten en daardoor niet in zijn belangen was geschaad.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk met partij en hun dochter had samengewoond en dat het passeren van het gebrek in de hoorplicht onterecht was. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Zij vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer dan een vierde deel van de periode voorafgaand aan de verzorgingstermijn met partij en hun dochter had samengewoond. Ook vond de Afdeling dat het passeren van het gebrek terecht was omdat appellant niet benadeeld was door de schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de wijziging van de geslachtsnaam van zijn dochter wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris blijft in stand.

Uitspraak

202407418/1/A3.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2024 in zaak nr. 23/8506 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris voor Rechtsbescherming (nu: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna: de staatssecretaris).
Openbare zitting gehouden op 8 april 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. D. Singh
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. K. Özkök;
de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.P. Stehouwer;
[partij], vertegenwoordigd door mr. E. Yilmaz, advocaat in Rotterdam;
[appellant] en [partij] hebben samen een dochter. [appellant] heeft zijn dochter erkend en zij draagt sinds geboorte de geslachtsnaam van haar vader. [appellant] en [partij] hebben geen relatie meer. Op 15 november 2022 heeft [partij] verzocht om wijziging van de geslachtsnaam van haar dochter. De staatssecretaris heeft dit verzoek bij besluit van 18 augustus 2023 toegewezen. Bij besluit van 21 november 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft eerst overwogen dat uit de basisregistratie personen (brp) volgt dat [appellant] nooit heeft samengewoond met de moeder en de dochter. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks dat hij niet op hetzelfde adres in de brp is geregistreerd, heeft samengewoond met de moeder en de dochter. Uit de documenten die hij heeft opgestuurd blijkt dit namelijk niet. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld omdat [appellant] ten onrechte pas in het besluit op bezwaar heeft kunnen lezen wat de moeder in de bezwaarfase tijdens haar hoorzitting heeft gezegd. De staatssecretaris heeft daarmee niet zorgvuldig gehandeld. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren omdat aannemelijk is dat [appellant] hierdoor niet is benadeeld. Hij heeft namelijk in zijn beroepschrift en op de zitting bij de rechtbank zijn gronden over het standpunt van [partij] naar voren gebracht. Daarnaast kende hij de rechterlijke uitspraak die aan de orde was al omdat hij partij was in die zaak, aldus de rechtbank. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.
Gronden:
1.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet heeft samengewoond met [partij] en hun dochter. Hij heeft samen met hen aan de Kockstraat in Den Haag gewoond en iedereen was daar van op de hoogte. Ook betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte het gebrek in het besluit op bezwaar heeft gepasseerd. Het is hem niet duidelijk wat de moeder in bezwaar heeft aangevoerd.
2.       De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan een vierde deel van de periode voorafgaand aan de verzorgingstermijn met zijn dochter en haar moeder heeft samengewoond. In de documenten die hij heeft overgelegd staat juist een ander woonadres van [appellant] vermeld. Verder is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in strijd met de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld en dit gebrek heeft mogen passeren. Omdat [appellant] in zijn beroepschrift en op de zitting bij de rechtbank zijn gronden over het standpunt van [partij] naar voren heeft kunnen brengen, is aannemelijk dat [appellant] door de schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel niet is benadeeld.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Singh
griffier
990