Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2148

Raad van State

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
202600942/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing dwangsom bij omgevingsvergunning bedrijfswoning Lopik

Het college van burgemeester en wethouders van Lopik weigerde op 11 oktober 2023 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning op een perceel in Polsbroek. De aanvraag was ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor de oude Wabo van toepassing bleef. De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van de aanvrager gegrond en vernietigde het besluit van het college, waarbij het college werd opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen en een dwangsom werd opgelegd voor overschrijding van die termijn.

Het college stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van de dwangsom. De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van 3 juni 2025, waarin het college aangaf de noodzaak van de bedrijfswoning te erkennen, een toezegging vormt die aan het college kan worden toegerekend. Dit wekt bij de aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen dat de vergunning zou worden verleend.

Echter, het college trok deze toezegging later in en stelde dat de medewerker die de brief ondertekende niet bevoegd was. De voorzieningenrechter constateerde dat de rechtbank onvoldoende had stilgestaan bij de belangenafweging in het kader van het vertrouwensbeginsel, met name de derde stap waarbij zwaarwegende belangen kunnen leiden tot het niet naleven van een toezegging.

De voorzieningenrechter besloot daarom de dwangsom met terugwerkende kracht te schorsen tot zes weken na verzending van deze uitspraak, zodat het college alsnog de tijd krijgt om een nieuw besluit te nemen. De schorsing betreft alleen de dwangsom en niet de gehele uitspraak van de rechtbank. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De dwangsom wordt met terugwerkende kracht geschorst tot zes weken na verzending van de uitspraak, zodat het college alsnog een nieuw besluit kan nemen.

Uitspraak

202600942/2/R4.
Datum uitspraak: 21 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Lopik,
verzoeker,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 25 februari 2026 in zaak nr. 24/5787 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in Polsbroek, gemeente Lopik,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft het college geweigerd om aan [wederpartij] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] in Polsbroek.
Bij besluit van 15 juli 2024 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 11 oktober 2023, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
Bij mondelinge uitspraak van 25 februari 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 juli 2024 vernietigd, het college opgedragen om binnen vier weken na verzending van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en bepaald dat het college aan [wederpartij] een dwangsom van € 1000,00 moet betalen voor elke week waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 20.000,00.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Ook heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[wederpartij] heeft hierop gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 9 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Osterhof, bijgestaan door mr. D.J. Blok, advocaat in Rotterdam, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [geamchtigde], bijgestaan door mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat in Montfoort, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3.       [wederpartij] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel. Op grond van het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan "Eerste herziening bestemmingsplan Landelijk gebied" was één bedrijfswoning op het perceel toegestaan. In artikel 1.11 van de planregels is een ‘bedrijfswoning’ gedefinieerd als: "een woning in of bij een gebouw of op dan wel bij een terrein voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming, noodzakelijk is". Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd, omdat de noodzaak voor een bedrijfswoning ontbreekt. In de beslissing op bezwaar heeft het college aanvullend stilgestaan bij de vraag of er aanleiding bestond van het bestemmingsplan af te wijken en alsnog een niet noodzakelijk geachte bedrijfswoning te vergunnen. Onder aanvulling van de motivering heeft het college vastgehouden aan de weigering.
4.       [wederpartij] heeft beroep ingesteld tegen dit besluit op bezwaar. Op de zitting van de rechtbank is naar een oplossing van het geschil gezocht en heeft [wederpartij], naar aanleiding van tussen partijen gemaakte afspraken, een financiële onderbouwing van zijn bedrijfsplan overgelegd om de noodzaak van een bedrijfswoning op het perceel aannemelijk te maken. Naar aanleiding van deze financiële onderbouwing heeft het college [wederpartij] bij brief van 3 juni 2025 bericht dat er alsnog een noodzaak voor een bedrijfswoning op het perceel aanwezig wordt geacht en dat het college voornemens is om de gevraagde vergunning daarom alsnog te verlenen omdat de aanvraag niet langer in strijd is met het bestemmingsplan. Omdat een besluit vervolgens uitbleef, ondanks dat er op verzoek van het college diverse malen uitstel was verleend, heeft de rechtbank de zaak opnieuw op een zitting behandeld, het besluit van 15 juli 2024 vernietigd, het college opgedragen om binnen vier weken na verzending van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en bepaald dat het college aan [wederpartij] een dwangsom van € 1000,00 moet betalen voor elke week waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 20.000,00.
Verzoek om voorlopige voorziening
5.       Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van de uitspraak van de rechtbank tot zes weken nadat is beslist op het hoger beroep. Volgens het college maakt de rechtbank niet duidelijk of er bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar nog ruimte is voor een belangenafweging in het kader van de zogenoemde derde stap van het vertrouwensbeginsel.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
6.       De rechtbank heeft overwogen dat het college met de brief van 3 juni 2025 zijn eerder ingenomen standpunt over de noodzaak van een bedrijfswoning op het perceel heeft verlaten en heeft erkend dat de weigering van de gevraagde vergunning niet in stand kan blijven, omdat de aanvraag voldoet aan het bestemmingsplan. Dat het college op de nadere zitting heeft aangegeven deze brief niet te kennen en dat deze ten onrechte is verstuurd namens het college, doet daar volgens de rechtbank niet aan af.  De uitlating die namens het college door de juridisch adviseur handhaving van de gemeente Lopik in de brief van 3 juni 2025 is gedaan, kwalificeert volgens de rechtbank als een toezegging die aan het college kan worden toegerekend. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen ruimte meer is voor een ander oordeel dan dat de vergunning moet worden verleend. Er bestaat volgens de rechtbank geen ruimte meer voor een afweging van belangen.
7.       De voorzieningenrechter is het met de rechtbank eens dat het college met de brief van 3 juni 2025 te kennen heeft gegeven niet langer te willen vasthouden aan het in beroep bestreden besluit. Pas op de nadere zitting van 25 februari 2026, nadat een nieuw besluit uitbleef, heeft het college aangegeven alsnog niet terug te willen komen op het in beroep bestreden besluit en aangegeven dat de betreffende medewerker niet bevoegd was om namens het college een nieuw standpunt over de noodzaak in te nemen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de brief van 3 juni 2025 kwalificeert als een toezegging die aan het college kan worden toegerekend. Anders dan [wederpartij] op de zitting heeft gesteld, kwalificeert deze brief niet als een herzien besluit op bezwaar. De brief is een inhoudelijke reactie namens het college naar aanleiding van de bij de rechtbank tussen partijen gemaakte afspraken. Dit sluit ook aan bij de interpretatie die
[wederpartij] zelf tot aan de zitting van de voorzieningenrechter aan de brief heeft gegeven. Het voorgaande betekent dat [wederpartij] de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat het college niet langer vasthield aan het ontbreken van noodzaak en hem alsnog de gevraagde vergunning zou gaan verlenen.
8.       Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, betekent echter niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat in de uitspraak van de rechtbank niet blijkt dat is stilgestaan bij de derde stap in het kader van de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft onder overweging 17 van haar uitspraak immers overwogen dat er geen ruimte meer is voor een afweging van belangen, omdat de toezegging steunt op het oordeel dat een bedrijfswoning noodzakelijk is en dat op grond van het op de aanvraag van toepassing zijnde bestemmingsplan geen andere uitkomst mogelijk is dan dat de omgevingsvergunning wordt verleend. In het geval het college onverkort zou hebben geconcludeerd dat de strijd met het bestemmingsplan is weggenomen, zou er inderdaad geen andere uitkomst mogelijk zijn dan verlening van de vergunning, gelet op het limitatief-imperatieve stelsel. Maar in dit geval heeft het college uitdrukkelijk aangegeven niet langer tot die conclusie te komen en alsnog uit te gaan van strijd met het bestemmingsplan en daarmee van een belemmering voor een vergunningverlening. Voor de beantwoording van de vraag of het college gehouden is om desondanks over te gaan tot verlening van de vergunning vanwege het opgewekte, aan hem toe te rekenen vertrouwen (stap 1 en 2) is vereist dat ook de derde stap wordt doorlopen. In de kern houdt dit in dat het college moet beoordelen of het, ondanks het in de beroepsfase gewekte vertrouwen, vanwege zwaarwegende andere belangen, de toezegging niet zal naleven. Er is dus niet maar één uitkomst voor het nieuw te nemen besluit mogelijk. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre op dit punt niet duidelijk is. Die onduidelijkheid is met dit voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weggenomen.
Conclusie
9.       Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Omdat de hoofdregel is dat het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit moet nemen dat met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb kan worden beoordeeld in het kader van het hoger beroep tegen deze uitspraak, zal de voorzieningenrechter niet de gehele uitspraak van de rechtbank schorsen. De voorzieningenrechter schorst alleen met terugwerkende kracht de beslissing tot oplegging van een dwangsom die in de uitspraak van de rechtbank is verbonden aan het niet tijdig nemen van een nieuw besluit. Daarbij bepaalt de voorzieningenrecht dat deze schorsing eindigt 6 weken na verzending van deze uitspraak. Dit betekent dat het college tot zes weken na deze uitspraak de tijd heeft om alsnog opnieuw op de bezwaren te beslissen, bij gebreke waarvan het verbeuren van dwangsommen herleeft.
10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        schorst met terugwerkende kracht de dwangsom die in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 februari 2026 in zaak nr. 24/5787 is verbonden aan het niet tijdig nemen van een nieuw besluit;
II.       bepaalt dat deze voorziening eindigt 6 weken na verzending van deze uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Knol
voorzieningenrechter
w.g. Graaff-Haasnoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026
531