ECLI:NL:RVS:2026:2154
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke toewijzing verzoek beperkte kennisneming Wob-stukken wegens privacy en procedurele belangen
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over een verzoek tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De minister verzocht de Afdeling bestuursrechtspraak om te bepalen dat alleen de Afdeling kennis mag nemen van bepaalde stukken vanwege gewichtige redenen.
De stukken betreffen ongeschoonde zienswijzen van derden met persoonsgegevens van ambtenaren en e-mailadressen van Tweede Kamerleden, alsmede bijlagen met transparant gekaderde passages die de minister wil weigeren openbaar te maken. De minister vreest dat openbaarmaking het algemeen belang en privacy schaadt en dat het oordeel over geheimhouding in de bodemprocedure moet plaatsvinden.
De Afdeling overweegt dat het verstrekken van deze informatie aan appellant zou vooruitlopen op de bodemprocedure en daardoor zinloos maken. Daarom acht zij het verzoek tot beperkte kennisneming van deze stukken grotendeels gerechtvaardigd. Echter, een gelakte passage in één zienswijze die een motivering van het Wob-besluit suggereert, maar deels al openbaar is en relevant is voor de procesvoering van appellant, mag niet worden geweigerd.
De Afdeling wijst het verzoek van de minister daarom gedeeltelijk toe en verzoekt de minister een geschoonde versie van de zienswijze te overleggen. Dit besluit waarborgt de belangen van privacy en procedurele zorgvuldigheid zonder de rechten van appellant onnodig te beperken.
Uitkomst: Het verzoek tot beperkte kennisneming van Wob-stukken wordt deels toegewezen en deels afgewezen, met een opdracht aan de minister tot het verstrekken van een geschoonde versie.