BRS.25.000747
Datum uitspraak: 21 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 26 mei 2025 in zaak nr. 24/8668 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken.
Bij besluit van 26 april 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 7 november 2023 deels herroepen en de vergunning ingetrokken per de datum van laatstgenoemd besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. W. Hoebba, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Betrokkene heeft de Pakistaanse nationaliteit. De minister heeft betrokkene in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’, met een geldigheidsduur van 17 maart 2019 tot 17 maart 2024. De minister heeft deze verblijfsvergunning bij het besluit van 7 november 2023 ingetrokken per 26 maart 2023, omdat de onderwijsinstelling, waar betrokkene ingeschreven stond, hem heeft afgemeld wegens onvoldoende studievoortgang en hij daardoor niet meer aan de beperking voldeed waaronder de minister de vergunning heeft verleend. Partijen zijn het erover eens dat betrokkene per 26 maart 2023 niet meer voldeed aan de beperking waaronder de minister de vergunning heeft verleend.
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de verblijfsvergunning ten onrechte ingetrokken per 26 maart 2023, omdat paragraaf B1/6.3 van de Vc 2000 vermeldt dat hij in een geval als dit de verblijfsvergunning intrekt met ingang van de datum van het besluit tot intrekking, dus 7 november 2023.
3. De minister klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank met dit oordeel het beleid onjuist heeft gelezen. In paragraaf B1/6.3 van de Vc 2000 staat namelijk dat de minister de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd intrekt met ingang van de datum waarop de betrokken vreemdeling niet of niet meer voldeed aan de voorwaarden. Deze handelwijze is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling in overeenstemming met het stelsel van de Vw 2000. Uit dit stelsel volgt immers dat de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan de minister om een verblijfsvergunning in te trekken, omdat de betrokken vreemdeling niet meer voldoet aan het doel waarvoor de minister de vergunning heeft verleend, tevens heeft beoogd om een besluit tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop die vreemdeling niet meer aan dat doel voldeed. Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285, onder 2.1. De minister mocht de verblijfsvergunning van betrokkene dus, in overeenstemming met het beleid hierover, wel met terugwerkende kracht per 26 maart 2023 intrekken. 3.1. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is gegrond. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 26 mei 2025 in zaak nr. 24/8668;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026
574-1162