Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2171

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
202402148/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel voor Gülenist

Appellant heeft bij besluit van 8 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. De rechtbank heeft op 5 april 2024 het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep heeft appellant nadere stukken ingediend en is er door de minister aanvullende informatie verstrekt. De Afdeling heeft in haar overwegingen verwezen naar een eerdere uitspraak van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1607) waarin het beleid ten aanzien van asielaanvragen van Gülenisten is beoordeeld en als redelijk is aangemerkt. De door appellant aangevoerde omstandigheden wijken niet af van de reeds onderzochte feiten en bronnen.

De overige grieven van appellant zijn niet inhoudelijk gemotiveerd in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, noch roepen zij vragen op over Unierecht. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is bevestigd.

Uitspraak

202402148/1/V2.
Datum uitspraak: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 april 2024 in zaak nr. NL24.717 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607, onder 7.7-7.10, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot de vanaf 1 december 2023 geldende wijziging van het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten (WBV 2023/24) heeft kunnen komen. Wat appellant aanvoert over de situatie voor Gülenisten in Turkije, heeft de Afdeling bij dat oordeel betrokken en voor zover dit niet het geval is, komt de overgelegde informatie inhoudelijk in essentie overeen met de in die uitspraak betrokken bronnen. Dit leidt daarom niet tot een ander oordeel. De eerste grief slaagt niet.
2.       Wat appellant aanvoert in de overige grieven leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
1048