Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2172

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
202204773/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging eigen bijdrage opvang en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het COa van 19 augustus 2021 waarin de eigen bijdrage in de opvangkosten werd vastgesteld op €5.803,33. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het geen nieuwe rechtsvragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming rechtvaardigen. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd.

Daarnaast heeft appellant een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling constateerde dat de totale procedure met acht maanden is overschreden en kende een forfaitaire vergoeding van €1.000 toe. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €467 die appellant maakte voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.

De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellant ontvangt een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

202204773/1/V1.
Datum uitspraak: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 juli 2022 in zaak nr. 21/5112 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2021 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 5.803,33.
Bij uitspraak van 13 juli 2022 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Oukil, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het COa en appellant hebben nadere stukken ingediend.
De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:140, over de eigen bijdrage in de kosten van de opvang als een vreemdeling beschikt over vermogen na het ontvangen van een dwangsom). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2.    Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Redelijke termijn
3.       Appellant heeft een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.1.    De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint in dit geval op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank.
3.2.    De rechtbank heeft het beroepschrift van appellant ontvangen op 27 augustus 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met acht maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
3.3.    De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00.
3.4.    De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoekschrift. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan appellant een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen;
IV.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gerritsjans-van Essen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
1078