Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2174

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
202504632/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico vervolging

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 24 april 2025 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing op 8 augustus 2025 ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten, waardoor de minister zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kan stellen dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. De rechtbank had dit onvoldoende onderkend, waardoor het betoog van appellant slaagt.

De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt daarom zowel het besluit van de minister als de uitspraak van de rechtbank. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de actuele feiten en omstandigheden. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van de minister tot afwijzing van de asielaanvraag en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd; de minister moet een nieuw besluit nemen en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202504632/1/V2.
Datum uitspraak: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 augustus 2025 in zaak nr. NL25.20115 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 8 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.A. Hardoar, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat zij loopt door haar afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt.
1.1.    De enige grief slaagt alleen al hierom.
2.       Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 24 april 2025. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 augustus 2025 in zaak nr. NL25.20115;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 24 april 2025, V-[...];
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
979