ECLI:NL:RVS:2026:2185
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring door staatssecretaris
Appellant heeft bij besluit van 13 september 2022 verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring, maar dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard bij besluit van 3 maart 2023. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 7 januari 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen en het hogerberoepschrift bevat geen nieuwe vragen die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.