ECLI:NL:RVS:2026:2199
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandelingstelling aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 7 december 2023 buiten behandeling werd gesteld. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 maart 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 19 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State, die het hoger beroep ongegrond verklaarde. De Raad oordeelde dat appellant dezelfde aanvraag opnieuw had ingediend en dat de minister daarop een inhoudelijk besluit had genomen. Hierdoor beschikte appellant over een effectief rechtsmiddel tegen de beoordeling waar het hem om ging.
De Raad van State stelde vast dat de procedures over beide aanvragen los van elkaar staan en dat het buiten behandeling stellen van de eerste aanvraag geen schending van het recht op een effectief rechtsmiddel inhoudt. Het hoger beroep bevatte geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.