Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2199

Raad van State

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.000084
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 47 EU HandvestArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandelingstelling aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 7 december 2023 buiten behandeling werd gesteld. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 maart 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 19 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State, die het hoger beroep ongegrond verklaarde. De Raad oordeelde dat appellant dezelfde aanvraag opnieuw had ingediend en dat de minister daarop een inhoudelijk besluit had genomen. Hierdoor beschikte appellant over een effectief rechtsmiddel tegen de beoordeling waar het hem om ging.

De Raad van State stelde vast dat de procedures over beide aanvragen los van elkaar staan en dat het buiten behandeling stellen van de eerste aanvraag geen schending van het recht op een effectief rechtsmiddel inhoudt. Het hoger beroep bevatte geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.000084
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2025 in zaak nr. 25/7167 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 20 maart 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.J. van Woerden, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1        Appellant heeft dezelfde aanvraag als hier aan de orde opnieuw ingediend. De minister heeft daar een inhoudelijk besluit op genomen. Tegen dat besluit stond een bestuursrechtelijke rechtsgang open, waar appellant gebruik van heeft gemaakt. Daarmee heeft appellant een effectief rechtsmiddel tegen de beoordeling waar het hem om te doen is. Daarom valt niet in te zien dat de minister de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van Pro het EU Handvest neergelegde recht heeft geschonden door de eerste aanvraag, waarover deze procedure gaat, buiten behandeling te stellen. De procedures over beide aanvragen staan los van elkaar. Alleen al daarom roept het hogerberoepschrift ook geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
282-1173