ECLI:NL:RVS:2026:2203
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tot opheffing bewaring in vreemdelingenzaak
Op 17 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in bewaring gesteld. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 27 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de rechtsvraag nader onderzoek vereist en dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand zal blijven. Gelet op artikel 5 EVRM Pro weegt het belang van verzoeker bij opheffing van de bewaring zwaarder dan het belang van de minister bij voortzetting van de maatregel.
Daarom werd de bewaring met ingang van 21 april 2026 opgeheven. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding worden in de bodemprocedure behandeld.
Uitkomst: De bewaring van verzoeker wordt met ingang van 21 april 2026 opgeheven.