ECLI:NL:RVS:2026:2248
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling door minister na beroep rechtbank
Appellant is bij besluit van 16 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 30 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen zonder nadere toelichting.
Er zijn geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, noch zijn er vragen over Unierecht aan de orde. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De bewaring van appellant door de minister wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.