Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2252

Raad van State

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
202501232/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 134 Wegenverkeerswet 1994Art. 123b Wegenverkeerswet 1994Art. 132 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholmisbruik ondanks contra-expertise

Appellant werd op 1 oktober 2023 staande gehouden voor rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 780 µg/l (1,794 promille). Het CBR liet een psychiatrisch onderzoek uitvoeren, waaruit alcoholmisbruik werd vastgesteld, hoewel geen stoornis volgens DSM-5. Op basis hiervan verklaarde het CBR het rijbewijs ongeldig.

Appellant maakte bezwaar en overwoog een contra-expertise, die een gunstiger beeld gaf. De rechtbank oordeelde echter dat het CBR terecht het psychiatrisch rapport van Van Dalen als basis gebruikte en dat de contra-expertise de bevindingen niet weerlegde.

In hoger beroep betoogde appellant dat de diagnose onvoldoende was onderbouwd en dat de contra-expertise niet werd meegewogen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het CBR het rapport mocht gebruiken, dat de aanwijzingen voor alcoholmisbruik in samenhang voldoende waren en dat de contra-expertise niet doorslaggevend was.

De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt bevestigd.

Uitspraak

202501232/1/A2.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2025 in zaak nr. 24/6157 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2024 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.
Bij besluit van 15 mei 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. van Nimwegen, advocaat in Rijen, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S. Sheikchote, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2.       [appellant] is op 1 oktober 2023 door de politie staande gehouden voor rijden onder invloed. Uit het ademalcoholgehalte werd een waarde van 780 µg/l gemeten (een alcoholpromillage van 1,794). Op basis daarvan heeft het CBR opgedragen een onderzoek te laten doen naar het alcoholgebruik door [appellant].
Besluitvorming
3.       [appellant] is op 16 december 2023 onderzocht door P.J. van Dalen,  psychiater. Uit de rapportage van dat onderzoek volgt dat tijdens de laatste aanhouding van 1 oktober 2023 geen stoornis in alcoholgebruik volgens DSM-5 kan worden vastgesteld. Wel kan op basis van alle relevante gegevens de diagnose alcoholmisbruik worden gesteld. Aannemelijk is dat het alcoholmisbruik is gestopt sinds 2 oktober 2023.
4.       Aan de diagnose is ten grondslag gelegd dat [appellant] eerder is aangehouden vanwege het rijden onder invloed of het vermoeden daarvan. [appellant] heeft naar aanleiding daarvan een EMA-cursus gevolgd, waarin hij nadrukkelijk is gewezen op de effecten, gevolgen en risico’s van alcoholgebruik in het verkeer. Daarbij komt dat het door [appellant] opgegeven alcoholgebruik tijdens de aanhouding niet in overeenstemming was met de AAG/BAG. Dit is onderrapportage van het alcoholgebruik. Ook is, gezien de geringe pakkans, niet aannemelijk dat [appellant], die al jaren een sociaal drinkpatroon heeft, een dag is doorgeschoten en juist op die dag is aangehouden. Een meer structureel patroon van overmatig alcoholgebruik is, in samenhang bezien met de andere argumenten, aannemelijker en in overeenstemming met de vastgestelde tolerantie voor de effecten van alcohol. Verder heeft [appellant] kenbaar gemaakt zijn rijbewijs nodig te hebben voor zijn werk. Desondanks riskeerde hij het verliezen van zijn rijbewijs door onder invloed te rijden. Ook dit is een aanwijzing voor alcoholmisbruik, temeer omdat [appellant] eerder is aangehouden. Tot slot merkte [appellant] in de twaalf maanden voorafgaande aan de aanhouding op 1 oktober 2023 pas na meer dan drie alcoholische eenheden (AE) een effect, wat ook wijst op alcoholtolerantie.
5.       Het CBR heeft bij besluit van 21 februari 2024 het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard. Door de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ is hij niet langer geschikt tot het besturen van een motorvoertuig. Het CBR heeft zich daarbij gebaseerd op het psychiatrisch rapport van Van Dalen.
6.       In het besluit op bezwaar van 15 mei 2024 heeft het CBR het besluit van 21 februari 2024 gehandhaafd. Het CBR heeft daaraan toegevoegd dat de door [appellant] overgelegde contra-expertise van D.J. Vinkers, psychiater, niet leidt tot een ander besluit. [appellant] heeft bij dat onderzoek voor hem gunstigere antwoorden gegeven op de vragen van de psychiater, waardoor in de rapportage van het onderzoek tot een andere diagnose is gekomen.
Uitspraak van de rechtbank
7.       De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het CBR terecht het rijbewijs van [appellant] ongeldig heeft verklaard. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat het CBR het psychiatrisch rapport, waarin de diagnose alcoholmisbruik is gesteld, niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Daartoe heeft zij als volgt overwogen.
8.       Van Dalen mocht uitgaan van de eerste verklaring van [appellant] over het aantal AE op de dag van de aanhouding, op grond waarvan onderrapportage is aangenomen. Ook kan de conclusie van Van Dalen worden gevolgd dat er onderrapportage is van het normale alcoholgebruik. Het is niet aannemelijk dat [appellant] is aangehouden op die ene dag dat hij is uitgeschoten met zijn alcoholgebruik. In dit verband was de pakkans ook gering; de omstandigheid dat [appellant] heeft gereden met zijn mislichten aan en slingerde over de weg, vergrootte weliswaar de pakkans gedurende die specifieke rit, maar dit maakt niet dat de pakkans in het algemeen groter dan gering moet worden geacht. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de aanhouding is gebeurd naar aanleiding van een melding. Verder heeft [appellant] aan Van Dalen verklaard eerst bij 3 á 4 AE een effect te merken van alcohol. Hij wordt niet gevolgd in de stelling dat hij de vraagstelling van Van Dalen niet goed heeft begrepen, en hij het eerste effect van alcohol voelt bij 1 á 2 AE. Bovendien heeft hij eerder een soortgelijk psychiatrisch onderzoek gehad waarbij dezelfde vragen zijn gesteld, waardoor de betekenis van de vraagstelling voor [appellant] duidelijk had moeten zijn. Voor zover dit niet duidelijk was, had het op zijn weg gelegen om verduidelijking te vragen. Tot slot dragen de door Van Dalen genoemde omstandigheden dat [appellant] eerder is aangehouden vanwege rijden onder invloed, het volgen van een EMA-cursus en dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor werk, in samenhang gezien met de andere aanwijzingen, de conclusie dat alcoholmisbruik in ruime zin kan worden aangenomen.
9.       De rechtbank heeft over de door [appellant] overgelegde contra-expertise geoordeeld dat hij tijdens dat onderzoek anders heeft verklaard dan tijdens het onderzoek van Van Dalen. Zo heeft [appellant] het alcoholgebruik tijdens de aanhouding naar boven bijgesteld, en het aantal AE waarna hij een effect voelt naar beneden bijgesteld. Die bijgestelde verklaringen plaatsen hem in een gunstiger daglicht, wat niet los kan worden gezien van zijn wens om zijn rijbewijs terug te krijgen. De conclusie van beide rapportages kunnen daarom niet met elkaar worden vergeleken, zodat de contra-expertise de bevindingen in het psychiatrisch rapport van Van Dalen niet zonder meer weerlegt, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
10.     [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het CBR het psychiatrisch rapport van Van Dalen aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Dit rapport is namelijk niet concludent. [appellant] betoogt, samengevat, dat de aanwijzingen, die zien op de onderrapportage van het AE op de dag van de aanhouding, onderrapportage van het normaal alcoholgebruik, de geringe pakkans en alcoholtolerantie, niet aan de conclusie ‘alcoholmisbruik’ ten grondslag kunnen worden gelegd. Verder is de enkele omstandigheid dat [appellant] het rijbewijs nodig heeft voor zijn werk niet voldoende om de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ te dragen. [appellant] concludeert dat uit het voorgaande volgt dat de diagnose uitsluitend is gebaseerd op de recidive. Die enkele omstandigheid is echter onvoldoende voor het stellen van de diagnose.
11.     [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de contra-expertise. Door te stellen dat zijn antwoorden in hoofdlijnen niet hetzelfde zijn als de antwoorden bij Van Dalen, maakt de rechtbank het overleggen een contra-expertise zinledig. Overigens zijn de antwoorden volgens [appellant] wel degelijk in hoofdlijnen hetzelfde.
Toetsingskader
12.     Het CBR mag afgaan op het psychiatrisch rapport dat aan het CBR is uitgebracht, nadat het is nagegaan of dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Als belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het CBR niet zonder nadere motivering op het rapport afgaan.
13.     Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339, onder 23, is het diagnosticeren van stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen gericht op het algemene belang van de verkeersveiligheid. De diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ ten behoeve van CBR-zaken is een beschrijvende diagnose waarbij alle gegevens worden gebruikt die wijzen in de richting van problemen rond alcoholgebruik, terwijl aanwijzingen dat het onwaarschijnlijk is dat bij betrokkene sprake is van met alcoholgebruik gerelateerde problemen niet aanwezig zijn.
De diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ kan in de praktijk niet uitsluitend worden gesteld op grond van de anamnese in combinatie met een sterk verhoogd ademalcoholgehalte. Daarom kan de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ alleen worden verkregen met de hulp van meerdere aanwijzingen die deze diagnose ondersteunen en die een aanwijzing kunnen vormen voor aanwezigheid van alcoholproblemen.
Beoordeling van het hoger beroep
14.     De Afdeling beoordeelt of het CBR het rapport van Van Dalen, op grond waarvan ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ is aangenomen, aan het besluit ten grondslag mocht leggen. Zij komt tot het oordeel dat het CBR daarvan mocht uitgaan. De Afdeling licht dit hierna toe.
15.     Aan de conclusie ‘alcoholmisbruik’ heeft Van Dalen zes aanwijzingen ten grondslag gelegd. Met de rechtbank volgt de Afdeling Van Dalen in zijn gevolgtrekking dat de aanwijzingen betreffende de alcoholtolerantie, de recidive, het afronden van de EMA-cursus en de omstandigheid dat [appellant] het rijbewijs nodig heeft voor zijn werk aan de conclusie ‘alcoholmisbruik’ ten grondslag kunnen worden gelegd. Wat betreft de alcoholtolerantie onderschrijft de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat [appellant] redelijkerwijs had moeten begrijpen dat met ‘eerste effect’ werd gedoeld op het ‘eerste effect van alcohol’. Temeer omdat hij, gezien de recidive, drie jaar eerder is onderworpen aan een soortgelijk onderzoek, en toen ook is geconfronteerd met die vraag. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat het hogere alcoholpercentage op de dag van de aanhouding kan worden verklaard doordat hij ook voor het uitgaan heeft gedronken, alsook dat Van Dalen niet heeft onderbouwd waarom de pakkans op de dag van de aanhouding gering was en dus een structureler patroon van overmatig alcoholgebruik aannemelijker is. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de andere aanwijzingen in onderlinge samenhang de conclusie van alcoholmisbruik voldoende dragen. [appellant] wordt dus niet gevolgd in zijn betoog dat de diagnose alleen steunt op de recidive.
De door [appellant] overgelegde contra-expertise van Vinkers maakt dit niet anders. Anders dan [appellant] betoogt, heeft hij bij de anamnese door Vinkers anders verklaard dan tijdens het onderzoek van Van Dalen. Zo heeft hij het alcoholgebruik ten tijde van de aanhouding naar boven bijgesteld, en het aantal AE waarna hij een effect voelt naar beneden bijgesteld. De bijgestelde verklaringen geven een gunstiger beeld, wat niet los kan worden gezien van zijn wens om zijn rijbewijs terug te krijgen. De Afdeling ziet dan ook niet in dat het overleggen van een contra-expertise in dit geval bij voorbaat zinledig was. De conclusies van beide rapportages kunnen op basis van het bovenstaande niet met elkaar worden vergeleken, zodat de contra-expertise de bevindingen in het psychiatrisch rapport van Van Dalen niet zonder meer weerlegt.
16.     Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig mocht verklaren. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
17.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
18.     Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:9
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 134
[…].
2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.
3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. De artikelen 132 en 133 alsmede het eerste en het vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. De in de eerste volzin bedoelde mededeling wordt niet gedaan, indien het rijbewijs van de houder inmiddels op grond van artikel 123b ongeldig is geworden.
[…].
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 27
Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:
a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;
b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.
Regeling eisen geschiktheid 2000
Artikel 2
De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.
Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000
Paragraaf 8.8. Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.
Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.
Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht.
Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.