202304493/1/R2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, wonend in Tilburg,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2023 in zaak nr. 22/2614 en 22/2750 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Timber and Building Supplies Holland N.V. (hierna: TABS) voor de nieuwbouw en verbouw van een bestaand distributiecentrum (zonder houtzagerij) inclusief stellingen, benodigde geluidschermen en perceelafscheidingen op de percelen plaatselijk bekend Lovensekanaaldijk 60-80 in Tilburg.
Bij besluit van 12 april 2022 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[appellant] en anderen hebben tegen dat besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 6 juni 2023 heeft de rechtbank het beroep, voor zover ingediend door [appellant A] niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep, voor zover ingediend door de overige appellanten gegrond verklaard, het besluit van 12 april 2022 voor wat betreft het niet voldoen aan de parkeereis van 140 parkeerplaatsen op eigen terrein vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van [appellant] en anderen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger
beroep ingesteld.
[appellant] en anderen, het college en TABS hebben nadere stukken
ingediend.
Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw op de bezwaren van [appellant] en anderen beslist.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 november 2025, waar [appellant] en [appellant B], bijgestaan door mr. E. Meijer, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. Overdijk, advocaat te Tilburg, zijn verschenen. Voorts is op de zitting TABS, vertegenwoordigd door mr. R.J. de Heer, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. TABS heeft op 28 mei 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de nieuwbouw en verbouw van een bestaand distributiecentrum aan de Lovensekanaaldijk 60-80 in Tilburg. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Loven 2016". Op het perceel rusten ingevolge dat plan de enkelbestemmingen "Bedrijventerrein" en "Verkeer - Verblijf", de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" en de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1". Het bouwplan is op een aantal onderdelen in strijd met dit plan, namelijk voor zover het betreft de afstand van het bouwplan tot een potentieel waardevolle boom, de verplichting een rapport over te leggen waarin de archeologische waarden van het terrein zijn onderzocht, en de beoogde terreinafscheiding van 2,5 m hoog die, voor zover gelegen binnen de bestemming "Verkeer-Verblijf", hoger is dan de binnen die bestemming toegestane 2 m. Verder geldt ter plaatse het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017". Het bouwplan is met dit plan in strijd omdat volgens het college wordt afgeweken van de geldende parkeernormen. Het college heeft daarom met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o en 2o, van de Wabo omgevingsvergunning verleend. Dit besluit is bij het besluit op bezwaar in stand gelaten.
3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het ten aanzien van het parkeren is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Zij heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren. Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit genomen op het bezwaar van [appellant] en anderen.
4. [appellant] en anderen wonen in de omgeving van het distributiecentrum. Zij vrezen dat de omgevingsvergunning nadelige gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat. Zij hebben de voorzieningenrechter van de Afdeling daarom verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3269 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen. 5. TABS heeft het door haar ingestelde hoger beroep op de zitting ingetrokken.
Hoger beroep van [appellant A]
6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank het beroep voor zover dat is ingediend door [appellant A] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 1 oktober 2021. Volgens [appellant] en anderen heeft [appellant A] wel bezwaar gemaakt.
6.1. De rechtbank heeft het beroep voor zover dat is ingediend door [appellant A] niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant A] in het besluit van 12 april 2022 niet als bezwaarmaker is vermeld en hij op de zitting had toegelicht dat hij weliswaar dacht dat hij bezwaar had gemaakt, maar dat hem is gebleken dat dit bezwaar niet bij de gemeente is aangekomen. De Afdeling stelt net als de rechtbank vast dat [appellant A] in het besluit van 12 april 2022 niet als bezwaarmaker is vermeld. Ook in het advies van de bezwaarschriftencommissie staat [appellant A] niet als bezwaarmaker genoemd. Desgevraagd hebben [appellant] en anderen nog stukken overlegd, waaronder een collectief bezwaarschrift, maar daaruit blijkt niet dat [appellant A] zelf een bezwaarschrift heeft ingediend. Nu [appellant A] geen bezwaar heeft gemaakt en evenmin is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt, heeft de rechtbank het beroep voor zover dat is ingediend door [appellant A] dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Inhoudelijke gronden
7. [appellant] en anderen voeren aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat slechts een klein deel van het totale bouwplan niet binnen het bestemmingsplan past, er niet aan afdoet dat moet worden beoordeeld of het totale bouwplan passend is uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het college had aan de hand van een algehele afweging moeten beoordelen of het bouwplan in zijn geheel geen afbreuk doet aan een goed woon- en leefklimaat. Zij wijzen er in dit verband met name op dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de forse toename van het vrachtverkeer en geluidsoverlast als gevolg van het bouwplan. Ook had er volgens [appellant] en anderen meer groen ter hoogte van de erfgrens moeten worden gerealiseerd om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen.
7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan op een aantal onderdelen in strijd is met het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Loven 2016". De in de omgevingsvergunning toegestane afwijkingen van het bestemmingsplan hebben betrekking op de perceelsafscheiding aan de Lovensekanaaldijk die voor een deel binnen de bestemming "Verkeer-Verblijf" is gelegen, op de afstand van het bouwwerk tot een potentieel waardevolle boom en op het feit dat ten tijde van de vergunningverlening nog geen archeologisch rapport was ingediend, hetgeen vanwege de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" een vereiste is. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat de maximale bouwhoogte van het bouwplan hoger is dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, omdat de gronden worden opgehoogd, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college de berekening van de bouwhoogte voldoende heeft onderbouwd met het rapport van WRK Architecten "Distributiecentrum TABS Tilburg, notitie vloerniveau nieuwbouw" van 31 maart 2021. Uit dat rapport volgt dat de bouwhoogte van het distributiecentrum binnen het bestemmingsplan past. [appellant] en anderen hebben dit oordeel van de rechtbank en de resultaten van het rapport van WRK niet gemotiveerd bestreden.
7.2. Zoals de voorzieningenrechter al heeft overwogen zijn, bij het antwoord op de vraag of een project ruimtelijk aanvaardbaar is, de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan een gegeven. Het college mag bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen meewegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan en daarom niet kan worden geweigerd. Het bestemmingsplan maakt ter plaatse van het bouwplan al een distributiecentrum van de vergunde omvang mogelijk. De ruimtelijke belangen die betrokken zijn bij dit distributiecentrum zijn daarom in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan al afgewogen en hoeven nu niet opnieuw te worden afgewogen. De door [appellant] en anderen gestelde toename van de vrachtverkeer, wat daar verder van zij, wordt niet veroorzaakt door de afwijkingen van het bestemmingsplan, maar door hetgeen reeds op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Het college heeft in de door [appellant] en anderen gestelde toename van het vrachtverkeer dan ook geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het project niet aanvaardbaar is. Dit geldt ook voor hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd over geluidsoverlast. Voor zover zij in dit verband aanvoeren dat het Akoestisch onderzoek industrielawaai Nieuw- en verbouw DC Lovense Kanaaldijk 60-80 te Tilburg van 28 mei 2021 gebreken bevat, overweegt de Afdeling dat dit onderzoek is verricht in het kader van een ingediende melding op grond van het Activiteitenbesluit. Wanneer er niet wordt voldaan aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit, is dat een kwestie van handhaving. Ook ten aanzien van het door [appellant] en anderen gewenste groen rondom de perceelsgrens geldt dat dit niet kan afdoen aan de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat zij stelselmatig buiten de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zijn gehouden, zodat in het kader van de omgevingsvergunning alsnog alle ruimtelijke belangen moeten worden betrokken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bestemmingsplan en het ontwerp voor een ieder ter kennisname is gepubliceerd en dat [appellant] en anderen zienswijzen tegen het ontwerpplan hadden kunnen indienen en beroep tegen het bestemmingsplan hadden kunnen instellen. Dat hebben zij niet gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Overige gronden
8. [appellant] en anderen betogen dat er ten onrechte geen beoordeling is gemaakt met betrekking tot luchtkwaliteit en hoeveelheid fijnstof. Verder voeren zij aan dat ten onrechte geen archeologisch onderzoek is verricht. De Afdeling overweegt dat zij deze gronden niet eerder hebben aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgronden niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgronden dus niet inhoudelijk bespreken.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit genomen op het bezwaar van [appellant] en anderen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, is bij de Afdeling tegen dit besluit van rechtswege een beroep ontstaan. Nu [appellant] en anderen desgevraagd geen nadere gronden tegen dit besluit hebben ingediend, is het beroep daartegen ongegrond.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
10.1.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 20 december 2023, kenmerk 2125798/MH, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Engelen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
842