AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen bestemmingsplan hoogspanningsstation Wijster ondanks belangen HOP-bezoekers
De raad van de gemeente Midden-Drenthe stelde op 4 juli 2024 het bestemmingsplan 'Hoogspanningsstation TenneT Wijster' vast, dat voorziet in de bouw van een hoog- en middenspanningsstation. Dit plan wijzigt de bestemming van gronden nabij de VAM-plas, een locatie die onder meer als homo-ontmoetingsplek (HOP) wordt gebruikt. De stichting Platform Keelbos maakte bezwaar tegen het plan vanwege de verminderde bereikbaarheid van de HOP en mogelijke schendingen van grondrechten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het bestemmingsplan niet leidt tot het onmogelijke functioneren van de HOP. De nieuwe looproute en de mogelijkheid tot aanleg van een nieuwe parkeerplaats waarborgen de bereikbaarheid. De belangenafweging door de raad, waarbij het maatschappelijke belang van netverzwaring zwaarder woog dan de belangen van de HOP-bezoekers, was zorgvuldig en niet onredelijk.
Verder werd geoordeeld dat er geen sprake is van een gewoonterecht op recreatief gebruik van de gronden, noch van discriminatie of schending van grondrechten zoals het gelijkheidsbeginsel, het recht op vreedzame vergadering en het recht op privéleven. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het fair-playbeginsel werd verworpen. Het beroep van de stichting werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan voor het hoogspanningsstation Wijster wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
202405505/1/R3.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Platform Keelbos, gevestigd in Nuth, gemeente Beekdaelen,
appellante,
en
de raad van de gemeente Midden-Drenthe,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogspanningsstation TenneT Wijster" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Stichting Platform Keelbos heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 januari 2026, waar Stichting Platform Keelbos, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. E. Derks, mr. E. Dijkenga en J. Koopman, zijn verschenen. Voorts is op die zitting TenneT TSO B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 27 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een hoog- en middenspanningsstation door TenneT in Wijster. Hiervoor is in het plan aan het grootste deel van de gronden de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" toegekend. In de toelichting op het plan staat dat het plan bijdraagt aan de netverzwaring die nodig is voor een succesvolle transitie naar duurzamere energiebronnen. Het plangebied bevindt zich in de zuidhoek van het bedrijventerrein ETP-MERA, nabij Weegbrugweg 4 te Wijster. Naast het plangebied ligt de zogeheten VAM-plas die onder meer wordt gebruikt als homo-ontmoetingsplek (HOP). Uitvoering van het bestemmingsplan zou ertoe leiden dat een deel van de weg die naar de VAM-plas leidt, de Weegbrugweg, en de aan het einde daarvan gelegen draailus die ook als parkeerplaats wordt gebruikt (parkeerplaats), verdwijnen wat ervoor zorgt dat de VAM-plas lastiger bereikbaar is. Aan een deel van de gronden rond de VAM-plas en aan de plek van de parkeerplaats is in het plan de bestemming "Groen - 1" toegekend. Voor de realisering van het plan worden bomen die in een rij aan de oostelijke kant langs de Weegbrugweg staan gekapt. De stichting vreest voor een onaanvaardbare schending van de belangen van de HOP-bezoekers.
3. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Onzorgvuldige belangenafweging
5. De stichting betoogt dat de belangen van de HOP-bezoekers onvoldoende zijn meegewogen. De parkeerplaats en de naastgelegen beplanting zijn een integraal onderdeel van de HOP, omdat de HOP-bezoekers elkaar hier ontmoeten. Daarnaast moeten de HOP-bezoekers door het verwijderen van de parkeerplaats 350 tot 1.350 m lopen om bij de VAM-plas te komen. De belangen van HOP-bezoekers worden hierdoor onevenredig geschaad. Dat de belangen van de HOP-bezoekers niet zijn meegewogen blijkt ook uit het feit dat de HOP niet is meegenomen in het landschappelijke inpassingsplan opgesteld door Sweco op 9 februari 2024. Tijdens de zitting heeft de stichting toegelicht dat in het landschappelijke inpassingsplan staat dat de gemeente Midden-Drenthe, Attero B.V. en TenneT onderzoeken hoe de toegankelijkheid van de VAM-plas voor derden verder kan worden beperkt. Verder zijn er ook hekken geplaatst die de toegankelijkheid van de VAM-plas beperken.
5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij het belang van het behoud van de HOP heeft betrokken bij de belangenafweging, maar uiteindelijk het maatschappelijke belang bij het aanpakken van netcongestie zwaarder heeft mogen laten wegen. Daarnaast wijst de raad erop dat belangen niet onevenredig worden geschaad, omdat HOP-bezoekers nog steeds de locatie kunnen bereiken vanaf de Scheidingsweg en een looproute van ongeveer 500 m. Ook geeft de raad aan bereid te zijn om een nieuwe parkeerplaats bij de Scheidingsweg aan te leggen, mocht dit noodzakelijk blijken.
5.2. In artikel 4.3.1 van de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierin is bepaald dat in ieder geval sprake is van met de bestemming strijdig gebruik wanneer de gronden en bouwwerken worden gebruikt zonder dat de groenvoorzieningen zijn aangelegd en in stand worden gehouden conform het landschappelijke inpassingsplan.
5.3. De Afdeling overweegt dat de vaststelling van het bestemmingsplan er niet toe leidt dat de HOP niet als zodanig kan blijven functioneren. De VAM-plas kan via een in het westen van het plangebied gelegen route worden bereikt. Daarbij kan langs de Scheidingsweg worden geparkeerd.
5.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de belangen van de HOP-bezoekers onvoldoende zijn meegewogen. De raad heeft het maatschappelijke belang bij de komst van een hoogspanningsstation zwaarder mogen laten wegen dan het belang van de HOP-bezoekers bij de bereikbaarheid van de HOP. De raad heeft ook gezocht naar een passende oplossing voor de HOP-bezoekers. Dit heeft geleid tot het vinden van een nieuwe looproute. Verder maakt de raad kenbaar dat er, indien nodig, een nieuwe parkeerplaats aangelegd kan worden. Dat het via deze nieuwe looproute langer duurt om bij de HOP te komen dan voorheen, maakt niet dat de belangen van de HOP-bezoekers onevenredig worden geschaad. Bovendien heeft de stichting onvoldoende geconcretiseerd wat er ontbreekt in het landschappelijke inpassingsplan of hoe dat inpassingsplan in de praktijk zorgt voor een beperking van de toegankelijkheid van de HOP. Dat in het landschappelijke inpassingsplan wordt benoemd dat onder meer de gemeente onderzoekt of en hoe de toegankelijkheid van het gebied verder kan worden beperkt, kan niet leiden tot het oordeel dat de HOP-bezoekers onevenredig in hun belangen worden geschaad door het plan, omdat deze opmerking geen deel uitmaakt van de voorwaardelijke verplichting die uit artikel 4.3.1 van de planregels voortvloeit. De voorwaardelijke verplichting uit artikel 4.3.1 van de planregels verzekert bovendien dat de beplanting uit het landschappelijke inpassingsplan daadwerkelijk wordt aangeplant, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de verwijderde bomen langs de Weegbrugweg worden gecompenseerd. Verder zijn de geplaatste hekken die op dit moment de toegankelijkheid beperken van tijdelijke aard. De raad heeft tijdens de zitting toegelicht dat deze hekken zullen worden weggehaald wanneer de werkzaamheden zijn voltooid, waardoor de HOP weer bereikbaar wordt.
Het betoog slaagt niet.
Geen strijdigheid met recreatieve bestemming
6. De stichting betoogt dat het gebruik van gronden als HOP-locatie niet in strijd is met een recreatieve bestemming. Er is sprake van normaal feitelijk medegebruik sinds 2008, waardoor een gewoonterecht is opgebouwd. Het gebruik als HOP-locatie zou moeten worden geduld en niet mogen worden beperkt.
6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op het parkeerterrein nooit een recreatieve bestemming heeft gerust. Verder is er ook geen sprake van overgangsrecht op basis van een voorgaand bestemmingsplan op grond waarvan recreatief gebruik zou zijn toegestaan. Daarnaast ligt de VAM-plas ook voor het grootste gedeelte buiten het plangebied.
6.2. Op grond van de beheersverordening "Bedrijventerrein ETP-META Wijst" golden op de planlocatie voorheen de planregels van het bestemmingsplan "VAM Tweesporenland". De gronden waar het de Stichting Platform Keelbos om gaat, kenden de bestemmingen "Afvalgelieerde bedrijven" en "Groenvoorzieningen". Uit de voorschriften van het bestemmingsplan "VAM Tweesporenland" volgt niet dat de gronden bedoeld waren voor recreatieve doeleinden.
6.3. De Afdeling overweegt dat er onder het voorgaande planologische regime, de beheersverordening, en onder het regime daarvoor, het bestemmingsplan "VAM Tweesporenland" uit 1999, geen recreatieve bestemming op de gronden gold. Omdat het gebruik als HOP is gestart in 2008, kan alleen al hierdoor geen sprake zijn van normaal feitelijk medegebruik of een opgebouwd gewoonterecht. Daarnaast staat het overgangsrecht van de beheersverordening niet toe dat met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de gronden wordt voortgezet. Dit betekent dat het gebruik als HOP ten tijde van de vaststelling van het plan niet was toegelaten. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het gebruik van de gronden als HOP in het nieuwe bestemmingsplan mogelijk had moeten maken.
Het betoog slaagt niet.
Regenboogbeleid
7. De stichting stelt zich op het standpunt dat de raad in strijd handelt met gemeentelijk beleid. Midden-Drenthe is namelijk een regenbooggemeente die zich sterk maakt voor het verbeteren van de sociale acceptatie, veiligheid, weerbaarheid en emancipatie van haar LHBTIQ+ inwoners. Door geen rekening te houden met de HOP bij vaststelling van het bestemmingsplan, handelt de gemeente in strijd met het beleid van een regenbooggemeente.
7.1. De Afdeling overweegt dat de stichting onvoldoende heeft geconcretiseerd naar welke specifieke beleidsstukken zij verwijst. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het vaststellen van het bestemmingsplan in strijd is met een regenboogbeleid. Hierbij herhaalt de Afdeling dat er verder ook geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de belangen van de HOP-bezoekers onvoldoende zijn meegewogen, zoals onder 5.4 is overwogen. Het betoog slaagt niet.
Veiligheid van HOP-bezoekers
8. De stichting betoogt dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat de invloed van de recreatieve route is op de veiligheid van de HOP. Vlak langs de HOP loopt een recreatieve route, waar onder meer kinderen gebruik van maken. Kinderen en een HOP kunnen beter gescheiden blijven. Er is onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de invloed van deze recreatieve route is op de HOP.
8.1. De Afdeling overweegt dat de recreatieve route bij de VAM-plas ligt en zich niet bevindt binnen het deel van het plangebied met de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening". Dit betekent dat de door de HOP-bezoekers gebruikte locatie aan de VAM-plas niet als gevolg van het met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte hoog- en middenspanningsstation dichter naar de recreatieve route zal verschuiven. De door de stichting geschetste onveilige situaties kunnen dan ook niet het gevolg zijn van dit bestemmingsplan en kunnen dus ook niet aan de vaststelling van dit plan in de weg staan. Het betoog slaagt niet.
Schending gelijkheidsbeginsel en grondrechten
9. De stichting betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zo worden de parkeerplaats en naastgelegen beplanting die onderdeel uitmaken van de HOP wel weggehaald, terwijl parkeerplaatsen en beplanting die géén onderdeel uitmaken van een HOP wel gewoon open mogen blijven. Dit, in combinatie met andere individuele maatregelen die HOP’s ontmoedigen, zorgt ervoor dat er ook sprake is van een schending van het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie in de zin van artikel 1 vanPro Protocol nr. 12 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 26 vanPro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), artikel 1 vanPro de Grondwet en artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Tijdens de zitting heeft de stichting ook toegelicht dat voor andere bezoekers van de VAM-plas, denk aan hondenuitlaters en wandelaars, proactief een andere locatie is gezocht, behalve voor de bezoekers van de HOP.
Ook voert zij aan dat hierdoor sprake is van een schending van het recht van een ieder op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM en artikel 10 vanPro de Grondwet.
Tot slot voert de stichting aan dat er sprake is van een schending van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in de zin van artikel 11 vanPro het EVRM en artikel 9 vanPro de Grondwet.
9.1. De raad bevestigt dat andere parkeerplaatsen en wegen binnen het grondgebied van de gemeente niet worden onttrokken aan de openbaarheid en dat er bomen zijn die niet worden gekapt. Dit betekent volgens de raad niet dat het plan daarom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
9.2. Met betrekking tot het recht op vreedzame vergadering en het recht van een ieder op respect voor zijn privéleven overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, zal de vaststelling van het bestemmingsplan er niet toe leiden dat de HOP niet als zodanig kan blijven functioneren. De VAM-plas moet slechts op een andere manier worden bereikt. Daarnaast is nieuwe beplanting ter vervanging van de gekapte bomen langs de Weegbrugweg gewaarborgd door een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Gelet op het vorenstaande kan er naar het oordeel van de Afdeling als gevolg van het plan, daargelaten of de bepalingen over het recht op vreedzame vergadering van toepassing zijn, geen sprake van zijn van een inbreuk op deze grondrechten.
Het betoog slaagt op deze punten niet.
9.3. De Afdeling overweegt over het beroep op het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie in de zin van artikel 1 vanPro Protocol nr. 12 bij het EVRM, artikel 26 vanPro het IVBPR, artikel 1 vanPro de Grondwet en artikel 1, eerste lid, van de Awgb, dat de stichting niet voldoende heeft onderbouwd op welke manier de HOP-bezoekers door het plan worden gediscrimineerd. Dat andere parkeerplaatsen en beplanting in de gemeente niet worden weggehaald en dat de raad niet proactief naar nieuwe locaties heeft gezocht voor de HOP, betekent nog niet dat de bezoekers van de HOP worden gediscrimineerd. Het weghalen van de parkeerplaats en het kappen van de bomen langs de Weegbrugweg leiden er namelijk niet toe dat de HOP niet meer als zodanig kan functioneren. Om die reden is er geen sprake van discriminatie.
Het betoog slaagt ook op dit punt niet.
9.4. De Afdeling concludeert dat de raad met het vaststellen van het bestemmingsplan niet heeft gehandeld in strijd met de door de stichting genoemde grondrechten en mensenrechten. Het betoog slaagt niet.
Vooringenomenheid en het fair-playbeginsel
10. De stichting stelt dat de gemeente vooringenomen heeft gehandeld. Er zijn veel kleine fouten gemaakt door de gemeente en de stichting is niet op een eerlijke manier behandeld. Er wordt namelijk niet geluisterd naar de bezwaren van de stichting, omdat de parkeerplaats hoe dan ook gesloten moet worden en het bos sowieso gekapt moet worden. Hierdoor is er ook sprake van een schending van het fair-playbeginsel.
10.1. In wat de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het fair-playbeginsel of het verbod op vooringenomenheid is vastgesteld. Hierbij merkt de Afdeling wederom op dat de raad juist heeft aangeboden een nieuwe parkeerplaats voor de HOP-bezoekers aan te leggen en dat de nieuwe beplanting ter vervanging van de bomen langs de Weegbrugweg is gewaarborgd door een voorwaardelijke verplichting in de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
11. De stichting stelt zich op het standpunt dat er in strijd wordt gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Attero B.V., de eigenaar van de grond waarop de VAM-plas ligt, vindt het onwenselijk dat het terrein als HOP wordt gebruikt. Ook neemt TenneT geen verantwoordelijkheid voor het zoeken naar vervangende toegangswegen naar de HOP met parkeerplaats en deze dan ook in te passen.
11.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
11.2. De Afdeling overweegt dat zowel Attero B.V. als TenneT geen bestuursorganen zijn. Alleen al hierdoor kan de stichting geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
13. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:
a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming zonder de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen conform paragraaf 4.4 Inrichtingsvoorstel van het landschapsplan zoals opgenomen in Bijlage 1, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;
b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen één jaar na het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het hoog- en middenspanningsstation uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de groenvoorzieningen conform paragraaf 4.4 Inrichtingsvoorstel van het landschapsplan zoals opgenomen in Bijlage 1, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
Bestemmingsplan "VAM Tweesporenland"
Artikel 3
1. Doeleinden
De op de kaart voor afvalgelieerde bedrijven aangewezen gronden zijn bestemd voor afvalgelieerde bedrijven met de daartoe nodige bebouwing, railverbinding met emplacement, spoorviaduct, los- en laadplaatsen, groenvoorzieningen, watergangen en wegen.
[…]
Grondwet
Artikel 1
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Artikel 8
Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.
Artikel 9
1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Algemene wet gelijke behandeling
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe;
b. direct onderscheid: indien een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat;
c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat in vergelijking met andere personen bijzonder treft.
[…]
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 11
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.
Protocol Nr. 12 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Artikel 1
1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
[…]
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
Artikel 26
Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.