Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2323

Raad van State

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001770
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielprocedure

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 4 december 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 2 april 2026 eveneens niet-ontvankelijk verklaarde. Verzoeker ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat het hoger beroep nader onderzoek vereist en dat de huidige procedure zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling. Daarom wordt een voorlopige voorziening getroffen om te voorkomen dat verzoeker wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt voor rechtsbijstand.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter B. Meijer op 24 april 2026. De minister moet verzoeker beschermen tegen uitzetting en de kosten van de beroepsmatige rechtsbijstand vergoeden tot een bedrag van € 934,00.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

BRS.26.001770
Datum uitspraak: 24 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 april 2026 in zaak nr. NL26.287 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 2 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026
979