ECLI:NL:RVS:2026:2375
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hun verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd in te trekken. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de minister en een afwijzing van het beroep door de rechtbank, is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen, en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Er zijn geen vragen gerezen die van belang zijn voor de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, noch zijn er vragen over Unierechtelijke bepalingen.
De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De intrekking van de verblijfsvergunningen blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunningen blijft in stand.