ECLI:NL:RVS:2026:2378
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen toewijzing verblijfsdocument EU/EER
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 juni 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsdocument EU/EER af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de minister op 14 januari 2025, verklaarde de rechtbank op 17 maart 2026 het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en beval afgifte van het verblijfsdocument binnen twee weken.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter constateerde dat de minister al uitvoering had gegeven aan de uitspraak, waardoor het verzoek niet spoedeisend was.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de minister al uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank.