ECLI:NL:RVS:2026:2380
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang en proceskosten
Verzoeker is door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten, bij besluit van 7 februari 2024, vervangen door het besluit van 13 augustus 2025. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze uitzettingsmaatregel ongegrond op 27 januari 2026. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure niet geschikt is. Daarom wordt besloten om verzoeker te beschermen tegen uitzetting totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 april 2026. Hiermee wordt de rechtspositie van verzoeker tijdens de procedure gewaarborgd en wordt de minister financieel aansprakelijk gesteld voor de proceskosten.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.