ECLI:NL:RVS:2026:2397
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen openbaarmaking inspectiegegevens en boete minister
De minister legde op 1 april 2026 aan verzoekster een boete van €5.400,- op en besloot tot openbaarmaking van inspectiegegevens over verzoekster. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, dat door de rechtbank op 5 februari 2026 werd afgewezen. Verzoekster stelde vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Raad van State om de openbaarmaking te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de spoedeisendheid van het verzoek uitsluitend betrekking had op de openbaarmaking van de inspectiegegevens, die tot op dat moment nog niet had plaatsgevonden. De voorzieningenrechter zag af van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en voerde een belangenafweging uit.
Het belang van de minister bij transparantie en het openbaar maken van inspectiegegevens gedurende vijf jaar werd afgewogen tegen het belang van verzoekster om reputatieschade en verlies van klandizie te voorkomen zolang het hoger beroep nog niet is beslist. De voorzieningenrechter vond het belang van verzoekster zwaarder wegen en bepaalde dat de minister de inspectiegegevens niet openbaar mag maken voordat het hoger beroep is afgerond.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, inclusief het griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 29 april 2026 door voorzieningenrechter J.Th. Drop.
Uitkomst: De minister mag de inspectiegegevens niet openbaar maken voordat het hoger beroep is beslist en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.