ECLI:NL:RVS:2026:2404
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende maatschappelijke binding
Appellante, woonachtig in Dordrecht met haar minderjarige kinderen, vroeg een urgentieverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht vanwege medische redenen en mantelzorg voor haar oudste zoon die in Barendrecht naar school gaat en zorg ontvangt. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet economisch of maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio Barendrecht, zoals vereist volgens de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de beschikking voor individueel leerlingenvervoer een oplossing biedt en dat appellant onvoldoende recente medische stukken had overgelegd om de hardheidsclausule te doen toepassen. Appellante stelde in hoger beroep dezelfde gronden aan, zonder nieuwe onderbouwing.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank gemotiveerd heeft geoordeeld en dat appellant geen nieuwe feiten of argumenten heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De Afdeling bevestigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens onvoldoende maatschappelijke binding.