ECLI:NL:RVS:2026:2413

Raad van State

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
202600349/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling derdejaars stage met onvoldoende na overleg examinatoren

Een student van het Instituut voor de Gebouwde Omgeving volgde een derdejaars stage die door de bedrijfsbegeleider met een 6,5 werd beoordeeld. De docentbegeleider, tevens examinator, overlegde met de bedrijfsbegeleider waarna de stage alsnog met een onvoldoende werd beoordeeld. Het College van Beroep voor de Examens (CBE) verklaarde het administratief beroep van de student ongegrond.

De student stelde dat het overleg tussen de begeleiders niet transparant was omdat hij daarbij niet aanwezig was en dat de motivering van de examinatoren onvoldoende was, vooral omdat zij lichtvaardig van het advies van de bedrijfsbegeleider zouden zijn afgeweken. De Raad van State oordeelde dat de beoordelingsprocedure zoals beschreven in de Modulewijzer was gevolgd en dat de student niet het recht had om bij het overleg aanwezig te zijn.

Verder werd vastgesteld dat examinatoren mogen afwijken van het advies van de bedrijfsbegeleider mits zij dit deugdelijk motiveren. De motivering in het beoordelingsformulier was voldoende, zoals ook door het CBE op de zitting werd toegelicht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het CBE hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de student tegen de onvoldoende stagebeoordeling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202600349/1/A2.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van Hogeschool Rotterdam (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 4 februari 2025 hebben de examinatoren de door [appellant] gevolgde derdejaars stage beoordeeld met een onvoldoende.
Bij beslissing van 15 december 2025 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. A. Sanders en J. Oegema, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] is student bij het Instituut voor de Gebouwde Omgeving. In het kader van zijn studie heeft hij een stage gevolgd. Tijdens de stageperiode is [appellant] begeleid door een docentbegeleider en een bedrijfsbegeleider. De docentbegeleider is ook een van de twee examinatoren.
In het beoordelingsformulier heeft de bedrijfsbegeleider de stage beoordeeld met het cijfer 6,5. De docentbegeleider heeft nadien overleg gehad met de bedrijfsbegeleider. Dat heeft ertoe geleid dat de stage alsnog met een onvoldoende is beoordeeld.
Besluitvorming
2.       Het CBE heeft zich in de beslissing van 15 december 2025 op het standpunt gesteld dat de beoordeling voldoende is gemotiveerd. Het beoordelingsformulier van de examinatoren bevat een onderbouwing van de beoordeling. Het CBE heeft daarbij betrokken dat de beoordeling van de stage door de bedrijfsbegeleider slechts een advies aan de examinatoren is en dat de examinatoren daaraan niet zijn gebonden. Dat [appellant] niet aanwezig is geweest bij een overleg tussen de docentbegeleider en de bedrijfsbegeleider, maakt niet dat de beoordelingsprocedure niet transparant is verlopen. Dat de bedrijfsbegeleider zijn advies na dit overleg heeft aangepast, maakt dit niet anders, aldus het CBE.
Beroep
3.       [appellant] betoogt dat het CBE heeft miskend dat geen transparante beoordelingsprocedure heeft plaatsgevonden. Hij vindt dat het overleg tussen de docentbegeleider en de bedrijfsbegeleider niet buiten zijn aanwezigheid had mogen plaatsvinden.
3.1.    In paragraaf 4.1 van de Modulewijzer bij het vak is onder meer het volgende vermeld over de beoordelingsprocedure. Aan het einde van de stage heeft de student een beoordelingsgesprek met de bedrijfsbegeleider. Voor dat gesprek vult de bedrijfsbegeleider een beoordelingsformulier in. Bij het tweede bedrijfsbezoek van de docentbegeleider wordt deze beoordeling doorgenomen. De docentbegeleider geeft zijn eindoordeel weer in een beoordelingsformulier nadat hij contact heeft gehad met de bedrijfsbegeleider over de bedrijfsbeoordeling.
Uit deze uiteenzetting in de Modulewijzer volgt niet dat de student ook bij het contact tussen bedrijfsbegeleider en docentbegeleider aanwezig moet kunnen zijn. De procedure, zoals beschreven in de Modulewijzer, is gevolgd.
Het betoog slaagt niet.
4.       [appellant] betoogt verder dat het CBE ten onrechte heeft aangenomen dat de motivering in het beoordelingsformulier van de examinatoren toereikend is. Hoewel de beoordeling door de bedrijfsbegeleider een advies is, mogen examinatoren niet lichtvaardig van dit advies afwijken.
4.1.    Niet in geschil is dat een beoordeling door een bedrijfsbegeleider een advies is en dat examinatoren daarvan in beginsel mogen afwijken als zij dat deugdelijk motiveren. Het CBE heeft op de zitting te kennen gegeven dat, anders dan in de beslissing van 15 december 2025 is vermeld, de examinatoren van het advies van de bedrijfsbegeleider zijn afgeweken en de bedrijfsbegeleider de beoordeling dus niet heeft aangepast. De examinatoren hebben in het beoordelingsformulier omschreven waarom zij aanleiding hebben gezien om het advies van de bedrijfsbegeleider niet te volgen. Op de zitting heeft het CBE onweersproken gesteld dat de motivering daarvoor is gegeven met de tekst onder "Toelichting leerdoel 1" op pagina 2 van dat formulier. Het betoog geeft geen grond voor het oordeel dat die motivering niet toereikend was.
Het betoog slaagt niet.
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
452-1175