ECLI:NL:RVS:2026:2425
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag jaren 2009-2013 in toeslagenaffaire
De zaak betreft het hoger beroep van appellant A en appellant B tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de afwijzing van een compensatieaanvraag in het kader van de toeslagenaffaire. Appellant A had een aanvraag ingediend voor compensatie over de jaren 2009 tot en met 2013, welke door de Dienst Toeslagen werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant B niet-ontvankelijk en het beroep van appellant A ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant B dat hij als toeslagpartner en echtgenoot ten tijde van de terugvordering een rechtstreeks belang had, maar de Raad oordeelde dat alleen appellant A als aanvrager een rechtstreeks belang heeft. Appellant A stelde dat de door de Dienst Toeslagen overgelegde systeemuitdraai moeilijk te controleren was en dat de intrekking van haar bezwaar niet betekende dat zij haar recht op compensatie had verspeeld.
De Raad concludeerde dat de wijzigingen in de toeslaggegevens met de DigiD van appellant A waren ingediend en dat er geen aanwijzingen waren voor vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. De intrekking van het bezwaar deed hieraan niet af. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees de hoger beroepen af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de compensatieaanvraag kinderopvangtoeslag wegens ontbreken van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.