ECLI:NL:RVS:2026:2460
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- J. Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsdocument EU/EER
Verzoeker heeft op 10 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 6 maart 2025 ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek af.
De minister is niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J. Th. Drop op 1 mei 2026 in aanwezigheid van griffier N.S. Koelman.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.