ECLI:NL:RVS:2026:2474
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens gegronde vrees vervolging in Iran
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 14 november 2023 opnieuw werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond in haar uitspraak van 20 november 2024. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft. Uit recente jurisprudentie volgt dat de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran niet eenduidig is en dat de minister niet zonder nader onderzoek mag aannemen dat er geen vervolgingsgevaar bestaat. Het betoog van appellant over het risico van vervolging wegens zijn afvalligheid slaagt dan ook.
De Afdeling ziet geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Een aanvullende grief over vermeende betrokkenheid bij de Peshmerga leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het besluit van 14 november 2023 en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.