ECLI:NL:RVS:2026:2479
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na hoger beroep
Appellant heeft bij besluit van 20 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat bij besluit van 2 april 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 oktober 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het inburgeringsvereiste niet aan appellant was tegengeworpen in het bestreden besluit, waardoor de door appellant aangevoerde grieven over het onderscheid naar nationaliteit bij inburgering in het buitenland niet relevant waren voor de zaak. Tevens zag de Afdeling geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De Afdeling concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van A. Kuijer op 4 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.