Art. 59 Vw 2000Art. 15 VerblijfsrichtlijnArt. 4 EU HandvestArt. 51 EU HandvestArt. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen onrechtmatige bewaring en weigering schadevergoeding in vreemdelingenrecht
Betrokkene, een Poolse staatsburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 5 maart 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie met het oog op uitzetting naar Polen. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een refoulementbeoordeling en kende schadevergoeding toe.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister bij de uitvoering van een verwijderingsbesluit voor een EU-burger geen refoulementbeoordeling hoeft te maken, tenzij uitzonderingen uit Protocol Nr. 24 bij het VWEU zich voordoen, wat hier niet het geval was. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig was.
Verder werd geoordeeld dat de minister de zware gronden 3b en 3c voldoende had gemotiveerd, ondanks betrokkene's stelling dat hij dacht rechtmatig verblijf te hebben en in 2020 naar Polen was vertrokken. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 maart 2026 in zaak nr. NL26.12756 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij mondelinge uitspraak van 17 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het hoger beroep
1. Betrokkene heeft de Poolse nationaliteit en heeft geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. De minister heeft hem in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 om hem uit te zetten naar Polen. De minister komt in zijn enige grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat hij daarin niet heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting verzet.
1.1. Betrokkene is in bewaring gesteld om een verwijderingsbesluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn uit te voeren. De minister wijst er terecht op dat die richtlijn niet voorschrijft dat hij bij het nemen of uitvoeren van zo’n besluit een refoulementbeoordeling moet maken. Maar dat heeft de rechtbank ook niet geoordeeld. Zij heeft geoordeeld dat de plicht om in de maatregel een refoulementbeoordeling te maken, volgt uit artikel 4 vanPro het EU Handvest. Hoewel de rechtbank terecht heeft overwogen dat artikel 4 vanPro het EU Handvest in het geval van betrokkene van toepassing is, omdat bij de uitvoering van een verwijderingsbesluit het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht (artikel 51, eerste lid, van het EU Handvest), betekent dat nog niet dat de minister bij de uitvoering van een verwijderingsbesluit een refoulementbeoordeling moet maken.
1.2. De Afdeling wijst in dat verband op Protocol (Nr. 24) bij het VWEU inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie. In het enige artikel van dit protocol staat dat de lidstaten elkaar beschouwen als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Verder bepaalt dat artikel dat een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat alleen door een andere lidstaat mag worden behandeld of ontvankelijk mag worden verklaard als een van de daarin genoemde uitzonderingen zich voordoen.
1.3. Naar analogie leidt de Afdeling daaruit af dat de minister in een maatregel van bewaring die erop is gericht een Unieburger uit te zetten naar een andere lidstaat geen refoulementbeoordeling hoeft te maken, tenzij een van de uitzonderingen uit het genoemde protocol zich voordoen. Dat laatste is niet het geval. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig is, omdat de minister daarin niet zo’n beoordeling heeft gemaakt.
1.4. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.5. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
3. Betrokkene voert aan dat de minister onder andere zware gronden 3b en 3c niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen, omdat hij dacht dat hij rechtmatig verblijf in Nederland had en in 2020 naar Polen is vertrokken.
3.1. Voor zware gronden 3b en 3c volstaat het dat de minister in de maatregel de feitelijke juistheid daarvan toelicht. Zie de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, onder 15 tot en met 15.2.3. De minister heeft in de maatregel toegelicht dat betrokkene onrechtmatig in Nederland heeft verbleven zonder zich onmiddellijk bij de korpschef te melden, zodat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Dat betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat hij rechtmatig verblijf had, is in dit kader niet relevant. Verder heeft de minister toegelicht dat hij betrokkene bij besluit van 19 februari 2018 heeft opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten. Dat betrokkene in 2020 naar Polen zou zijn vertrokken, betekent niet dat hij binnen de gestelde termijn aan deze vertrekplicht gevolg heeft gegeven. Gelet op het voorgaande heeft de minister zware gronden 3b en 3c deugdelijk gemotiveerd aan de maatregel ten grondslag gelegd. Deze gronden kunnen de maatregel dragen (artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000).
3.2. De beroepsgrond slaagt niet.
4. In deze zaak zijn verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie beroep
5. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 maart 2026 in zaak nr. NL26.12756;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.