ECLI:NL:RVS:2026:258
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake verlies verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin is vastgesteld dat hij geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Dit bezwaar werd door de minister ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep op 24 december 2025 ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 19 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter V.V. Essenburg.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.