ECLI:NL:RVS:2026:259
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugkeerbesluit en afwijzing voorlopige voorziening in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie heeft appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten middels een terugkeerbesluit van 22 juli 2025. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 11 november 2025 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat hoewel de rechtbank ten onrechte stelde dat de terugkeerprocedure niet de plaats is voor een diepgaand onderzoek naar het non-refoulementbeginsel, appellant geen concrete aanwijzingen had gegeven dat het terugkeerbesluit dit beginsel zou schenden. Dit oordeel werd niet verder gemotiveerd omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 19 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter V.V. Essenburg.
Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen en het terugkeerbesluit bevestigd.