Het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente verleende op 26 september 2023 een omgevingsvergunning aan Plegt Bouw voor de bouw van 26 appartementen aan het Burgemeester de Beaufortplein in Markelo. De VVE De Beaufort en omwonenden, waaronder exploitanten van een nabijgelegen restaurant, maakten bezwaar tegen deze vergunning. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond, maar de voorzieningenrechter schortte bij voorlopige voorziening de vergunning op 25 augustus 2025 vanwege gebreken in de vergunningverlening, met name op het gebied van afwijking van het bestemmingsplan en onvoldoende motivering van de parkeereis.
Het college stelde op 3 maart 2026 een herstelbesluit vast waarin de vergunning werd gewijzigd en aangevuld, onder meer met een parkeeronderzoek. De VVE en anderen bleven bezwaar maken en stelden beroep in tegen het herstelbesluit. Het college, Viverion en Plegt Bouw verzochten de voorlopige voorziening op te heffen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het herstelbesluit de eerder geconstateerde gebreken herstelt, met name door het verlenen van de juiste vergunning en een onderbouwde motivering over parkeren.
De voorzieningenrechter verwierp de bezwaren tegen het parkeeronderzoek, de representativiteit van parkeertellingen en de motivering over fietsparkeren. Ook werd geoordeeld dat de VVE en anderen geen rechten kunnen ontlenen aan de anterieure exploitatieovereenkomst. De voorlopige voorziening werd daarom opgeheven en de griffierechten werden vergoed.
Uitkomst: De voorlopige voorziening die de omgevingsvergunning schorst wordt opgeheven omdat de gebreken in het herstelbesluit zijn hersteld.
Uitspraak
202503651/3/R3.
Datum uitspraak: 7 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,
2. Stichting Viverion en Plegt Bouw B.V., gevestigd in Lochem respectievelijk Ootmarsum, gemeente Dinkelland,
verzoekers,
om opheffing (artikel 8:87 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)) van de bij uitspraak van 25 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4044, getroffen voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:
1. VVE de Beaufort (de VVE), gevestigd te Markelo, gemeente Hof van Twente
2. [partij] en anderen, gevestigd en wonend in Markelo, gemeente Hof van Twente,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijsel van 23 mei 2025, in zaken nrs. 24/2782, 24/3031 en 24/2975 in het geding tussen onder andere:
1. de VVE
2. [partij] en anderen
en
het college,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college aan Plegt Bouw een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 26 appartementen aan het Burgemeester de Beaufortplein 6, 10 en 11 in het centrum van Markelo (het perceel).
Bij besluit van 25 april 2024 heeft het college de door (onder andere) de VVE en [partij] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de vergunning met aanvullende motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 23 mei 2025 heeft de rechtbank de door (onder andere) de VVE en [partij] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de VVE en [partij] en anderen hoger beroep ingesteld. [partij] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 25 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van 26 september 2023 en 25 april 2024 geschorst.
Bij besluit van 3 maart 2026, kenmerk 1076982 (1), (het herstelbesluit) heeft het college de vergunning gewijzigd en aangevuld.
De VVE en [partij] en anderen hebben te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het herstelbesluit.
D.H. [gemachtigde van de VvE] en anderen hebben beroep ingesteld tegen het herstelbesluit.
Het college, en Viverion en Plegt Bouw hebben verzocht de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.
De VVE, [partij] en anderen, en [gemachtigde van de VvE] en anderen hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven over de verzoeken om opheffing.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken om opheffing, tegelijk met de verzoeken om voorlopige voorziening in zaak nr. 202503646/3/R3, op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door B.J.M. Beernink-Rouweler en M.G.W. Jonker-Raanhuis, vergezeld door J.B.H. Meijer, R.F.G. Rosink en A. van de Reijt, Viverion en Plegt Bouw, vertegenwoordigd door [gemachtigden], de VVE, vertegenwoordigd door [gemachtigde van de VvE], [partij] en anderen, bijgestaan door [gemachtigde van de VvE], en [gemachtigde van de VvE] en anderen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 2 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
4. Op het perceel is het bestemmingsplan "Markelo, herziening Burgemeester Beaufortplein 6, 10 en 11", vastgesteld op 13 april 2021, van toepassing. Plegt Bouw heeft op 2 augustus 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit bouwen op het perceel. Het bouwplan bestaat uit 26 appartementen.
5. De VVE behartigt de belangen van de bewoners/eigenaars van het appartementengebouw De Beaufort. [partij] en anderen zijn exploitanten en eigenaren van het restaurant ‘t Wapen van Markelo gevestigd aan de Grotestraat 1 in Markelo, direct ten noorden van het perceel, en wonen ook boven het restaurant. [gemachtigde van de VvE] en anderen zijn bewoners en ondernemers uit de buurt van het perceel.
Uitspraak van 25 augustus 2025
6. In de uitspraak van 25 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter de besluiten van het college van 26 september 2023 en 25 april 2024 geschorst. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de besluiten van het college op twee punten gebreken bevatten.
Allereerst heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het college de vergunning in strijd met artikel 2.10 van de Wabo heeft verleend. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college, hoewel dat wel was beoogd, geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo heeft verleend voor het afwijken van artikel 9, onder a, van de planregels.
Ten tweede heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het college niet deugdelijk gemotiveerd heeft dat er met toepassing van artikel 9, onder d, onder 2, van de planregels kan worden afgeweken van de eis van parkeren op eigen terrein, zoals volgt uit artikel 9, onder a, van de planregels. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de bestaande parkeerbehoefte (mogelijk) niet op hetzelfde moment van de dag ontstaat als de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie.
Herstelbesluit
7. Met het herstelbesluit heeft het college de vergunning die is verleend bij besluit van 26 september 2023 gewijzigd en aangevuld.
De voorzieningenrechter merkt het herstelbesluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:19, gelezen in samenhang met artikel 6:24 vanPro de Awb. Dat betekent ook dat voor de VVE, en [partij] en anderen van rechtswege beroep is ontstaan tegen dat herstelbesluit.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat het herstelbesluit dezelfde strekking heeft als de besluiten van 26 september 2023 en 25 april 2024, namelijk het mogelijk maken van de bouw van 26 appartementen. Dat betekent dat de bij uitspraak van 25 augustus 2025 getroffen voorlopige voorziening zich uitstrekt tot het herstelbesluit.
8. De voorzieningenrechter zal hierna aan de hand van de verzoeken van het college, en Viverion en Plegt Bouw beoordelen of het herstelbesluit aanleiding geeft om de schorsing op te heffen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter de gronden die de VVE, [partij] en anderen, en [gemachtigde van de VvE] en anderen tegen de opheffing van de schorsing naar voren hebben gebracht.
Vergunning voor 6 extra appartementen
9. Naast de vergunning voor de bouw van 26 appartementen, heeft het college bij besluit van 28 juni 2024 aan Plegt Bouw ook een omgevingsvergunning verleend voor het toevoegen van 6 extra appartementen op het perceel in afwijking van het bestemmingsplan. Over deze vergunning loopt ook een procedure bij de Afdeling, zaak nr. 202503646/1/R3.
10. Het college heeft bij afzonderlijk besluit van 3 maart 2026, kenmerk 1076982 (2), deze vergunning voor het toevoegen van 6 extra appartementen ook gewijzigd en aangevuld.
De voorzieningenrechter doet vandaag ook uitspraak over de verzoeken van de VVE, [partij] en anderen, en [gemachtigde van de VvE] en anderen tot schorsing van deze vergunning voor het toevoegen van 6 extra appartementen (zaak nr. 202503646/3/R3, ECLI:NL:RVS:2026:2622).
Beoordeling van de verzoeken
Omvang van het geding
11. De voorzieningenrechter beperkt zich tot bespreking van de vraag of de in de uitspraak van 25 augustus 2025 geconstateerde gebreken zijn hersteld, en tot de gronden die door de VVE, [partij] en anderen, en [gemachtigde van de VvE] en anderen voorafgaand aan de zitting in de schriftelijke stukken zijn aangevoerd. Concreet betekent dit dat de voorzieningenrechter de volgende onderwerpen zal behandelen en betrekken bij de beoordeling of er aanleiding is de schorsing op te heffen:
- omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo;
- parkeren;
- fietsparkeren;
- anterieure exploitatieovereenkomst.
Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo
12. Met het herstelbesluit heeft het college de omgevingsvergunning voor het realiseren van een appartementencomplex met 26 appartementen gewijzigd en aangevuld door ook omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van artikel 9, onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Markelo, herziening Burgemeester Beaufortplein 6, 10 en 11" voor wat betreft het parkeren op eigen terrein. Verder staat in het herstelbesluit genoemd dat er met toepassing van artikel 9, onder d, onder 2, van de planregels wordt afgeweken.
12.1. De voorzieningenrechter overweegt dat het college hiermee een vergunning heeft verleend voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee het in de uitspraak van 25 augustus 2025 onder 8 geconstateerde gebrek hersteld.
De voorzieningenrechter ziet op dit punt daarom geen aanleiding de schorsing in stand te laten.
Parkeren
13. Met het herstelbesluit heeft het college de motivering over parkeren aangevuld met een parkeeronderzoek van Goudappel B.V. van 18 februari 2026. Het college stelt zich op het standpunt dat uit dit parkeeronderzoek blijkt dat op de maatgevende momenten voldoende parkeerplaatsen in de omgeving beschikbaar zijn om in de parkeerbehoefte van het appartementencomplex te voorzien. Daarbij is uitgegaan van de parkeerbehoefte van 32 appartementen, dus inclusief de 6 extra appartementen die bij afzonderlijke besluiten van 28 juni 2024 en 3 maart 2026 zijn vergund. Volgens het college zijn daarmee de gebreken in de motivering over parkeren hersteld en kan gebruik worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 9, onder d, van het bestemmingsplan om af te wijken van de eis van parkeren op eigen terrein.
Viverion en Plegt stellen zich op hetzelfde standpunt.
13.1. De VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen betogen dat het parkeeronderzoek van Goudappel niet zorgvuldig is. Zij voeren daarvoor meerdere argumenten aan.
In de eerste plaats voeren zij aan dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de lokale situatie waardoor er sprake is van hoger autobezit dan de kencijfers van de CROW.
Ten tweede voeren zij aan dat de parkeertellingen niet representatief zijn. Specifiek over de telling uit september 2021 voeren zij aan dat deze niet representatief is omdat deze in de corona-periode is uitgevoerd. De telling uit 2025 is niet representatief omdat die is uitgevoerd in oktober, buiten het hoogseizoen. Bovendien was het bedrijf Countus op dat moment tijdelijk op een ander locatie gevestigd. Ook voeren zij aan dat het tijdens condoleances in het uitvaartcentrum erg druk is en er niet voldoende parkeergelegenheid is.
Ten derde voeren de VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen aan dat de parkeertellingen niet zorgvuldig zijn uitgevoerd. Zij wijzen op onduidelijkheden over welke wegsecties in het centrum van Markelo zijn meegeteld en hoeveel parkeerplaatsen daar precies zouden zijn. Ook hebben zij op zitting verder toegelicht dat een aantal van de in tabel B 1.1 van het parkeeronderzoek genoemde secties met "vrij parkeren" niet zijn terug te vinden op de kaart figuur B1.1.
13.2. De voorzieningenrechter ziet in wat de VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen gebruik heeft mogen maken van de kencijfers van het CROW voor de parkeerberekeningen. In de kencijfers van de CROW is bijvoorbeeld al verwerkt dat er in weinig stedelijk gebied sprake is van hoger autobezit dan in stedelijk gebied.
13.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat in paragraaf 3.1 van het parkeeronderzoek, met gebruik van de aanwezigheidspercentages van het CROW, is berekend wat de momenten zijn waarop de parkeerbehoefte als gevolg van het appartementencomplex het hoogst is. Bij het salderen met de bestaande parkeerbehoefte van vorige functies is verder rekening gehouden met functiewijziging en met verschillen in de momenten waarop de parkeerbehoefte het grootst is. Daarbij is in het parkeeronderzoek uitgegaan van de situatie waarin de netto parkeerbehoefte als gevolg van het appartementencomplex het grootst is. Uit tabel 3.7 blijkt dat het appartementencomplex op avonden en in het weekend een toename aan parkeerbehoefte als gevolg heeft. Op werkdagavonden is deze toename met 31 parkeerplaatsen het grootst. Daarnaast is er sprake van een toename aan parkeerbehoefte op werkdagnachten, koopavonden, en in het weekend. Dit zijn de maatgevende momenten waarvoor moet worden bepaald of de toename aan parkeerbehoefte in de omgeving kan worden opgelost.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college met deze berekeningen de toename aan parkeerbehoefte van het appartementencomplex zorgvuldig in kaart gebracht en berekend.
13.4. In paragraaf 3.2 van het parkeeronderzoek gaat het over de vraag of de toename aan parkeerbehoefte kan worden opgevangen in de omgeving, binnen een loopafstand van 100 meter. Daarvoor zijn de eerder uitgevoerde parkeertellingen gebruikt om inzicht te geven in de bestaande parkeerdruk in de omgeving. De resultaten staan in tabel 3.8 van het parkeeronderzoek. Daarin is te zien wat de toename aan parkeerbehoefte door het appartementencomplex voor gevolgen heeft op de bestaande parkeerdruk in de omgeving. Hieruit blijkt dat op alle maatgevende momenten de parkeerdruk in de omgeving onder de 85% blijft, waarbij dit op de meeste momenten met een aanzienlijke marge is. Alleen tijdens een koopavond toen ook een condoleance plaatsvond, was de marge klein, maar ook op dat moment bleef de parkeerdruk onder de 85%.
13.5. De voorzieningenrechter ziet in wat de VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeertellingen niet representatief zijn vanwege de momenten waarop deze zijn uitgevoerd. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Op de zitting heeft het college toegelicht dat parkeertellingen bedoeld zijn om te beoordelen of in gemiddelde situaties de parkeersituatie nog goed is. Daarom worden tellingen volgens het college doorgaans niet uitgevoerd op absolute piekmomenten. Daarbij wordt in de beoordeling of er voldoende parkeergelegenheid is een parkeerdruk van 85% als aanvaardbaar geacht, zodat er spelingsruimte is voor piekmomenten. De voorzieningenrechter acht dit uitgangspunt niet onaanvaardbaar.
Verder heeft het college toegelicht dat er in 2025 voor de zekerheid nieuwe tellingen zijn gedaan zodat niet alleen de tellingen uit september 2021, toen nog een deel van de coronamaatregelen gold, gebruikt hoefden te worden. Daaruit is gebleken dat de tellingen in 2021 en 2025 vergelijkbaar zijn. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de tellingen uit 2021 niet representatief zijn.
Over de tellingen uit 2025 heeft het college op de zitting toegelicht dat de maand oktober is gekozen omdat dit de nasleep van het toeristisch seizoen is en meer toeristen met de auto komen dan in de zomer. Verder heeft het college toegelicht dat het gemeentelijk beleid is om toeristen niet allemaal in het hart van het centrum te laten parkeren, bijvoorbeeld door langparkeerders door te verwijzen naar andere parkeerterreinen net buiten het centrum. Gelet op deze toelichting ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeertellingen uit 2025 niet representatief zijn.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de tijdelijke verhuizing van het bedrijf Countus in dit geval niet relevant is. Zoals door het college is toegelicht, heeft Countus de grootste parkeerbehoefte op een werkdag overdag, wanneer het appartementencomplex volgens tabel 3.7 van het parkeeronderzoek juist niet leidt tot een toename aan parkeerbehoefte. Een eventueel tekort aan parkeerplaatsen doordat Countus terugverhuist, hoeft in het kader van deze ontwikkeling niet opgelost te worden.
13.6. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter het volgende over de meer concrete onduidelijkheden en onzorgvuldigheden in de parkeertellingen die VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen hebben aangevoerd. Hoewel de concrete parkeertellingen waarnaar wordt verwezen in Bijlage 1 bij het parkeeronderzoek op het moment van de zitting niet bij het parkeeronderzoek gevoegd waren en ook niet gepubliceerd waren, en er,
zoals ook is vastgesteld op de zitting, enkele onduidelijkheden bestaan over het precieze aantal parkeerplaatsen binnen het vrij parkeren regime in het onderzoeksgebied, overweegt de voorzieningenrechter dat dit mogelijke gebrek niet zodanig is dat het op voorhand aannemelijk is dat het herstelbesluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven.
Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat in de kern gaat om de vraag of er met toepassing van artikel 9, onder d, onder 2, van de planregels kan worden afgeweken van de eis van parkeren op eigen terrein. Daarvoor moet aannemelijk zijn dat de toename aan parkeerbehoefte als gevolg van het appartementencomplex in de omgeving kan worden opgelost. De voorzieningenrechter acht dit, gelet op de resultaten uit tabel 3.8 van het parkeeronderzoek aannemelijk. Daaruit blijkt namelijk dat de parkeerdruk op de meeste maatgevende momenten ruimschoots onder de 85% blijft. Door deze grote marge voorziet de voorzieningenrechter niet dat de conclusie van het college, dat de toename aan parkeerbehoefte in de omgeving opgelost kan worden, in de bodemprocedure geen stand zal houden.
13.7. Gelet op de voorgaande overwegingen, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het college het onder 11.5 van de uitspraak van 25 augustus 2025 geconstateerde gebrek heeft hersteld. De voorzieningenrechter ziet op dit punt daarom geen aanleiding de schorsing in stand te laten.
Fietsparkeren
14. In wat de VVE, [partij] en anderen, en [gemachtigde van de VvE] en anderen hebben aangevoerd over fietsparkeren, ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding de schorsing in stand te laten. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat er voor ieder appartement een berging gebouwd zal worden, waardoor bewoners voldoende mogelijkheid hebben hun fietsen te stallen. De hoeveelheid fietsen van bezoekers die in de openbare ruimte gestald moeten worden is verder zo gering, dat de voorzieningenrechter niet voorziet dat de vergunning vanwege dit punt geen stand zal houden in de bodemprocedure. Voor zover De VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen aanvoeren dat er in de CROW een omslagpunt zit voor fietsparkeren bij 28 appartementen, hebben zij dit niet onderbouwd.
Anterieure exploitatieovereenkomst
15. De VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen voeren aan dat uit artikel 6, vierde lid, van de anterieure exploitatieovereenkomst van 23 juni 2020, tussen de gemeente en Junco Ontwikkeling, welke door Plegt Bouw is overgenomen bij overeenkomst van 5 oktober 2023, volgt dat er binnen het projectgebied voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden.
Op de zitting hebben zij toegelicht dat tijdens de procedure van totstandkoming van het bestemmingsplan "Markelo, herziening Burgemeester Beaufortplein 6, 10 en 11" door de raad werd verwezen naar de anterieure overeenkomst. Ook staat volgens VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen in de nota van zienswijze bij dat bestemmingsplan dat er op eigen terrein parkeerplaatsen gerealiseerd zouden worden.
15.1. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van de VVE, [partij] en anderen, en [gemachtigde van de VvE] en anderen zo dat zij aanvoeren dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel een omgevingsvergunning heeft verleend waarmee wordt afgeweken van de eis van parkeren op eigen terrein uit het bestemmingsplan.
Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
15.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat er toezeggingen gedaan zijn waaruit zij konden en mochten afleiden dat het college geen omgevingsvergunning voor een bouwplan zou verlenen waarmee wordt afgeweken van het vereiste van parkeren op eigen terrein uit artikel 9, onder a, van de planregels.
De voorzieningenrechter overweegt dat de VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen geen rechten kunnen ontlenen aan de anterieure exploitatieovereenkomst. Geen van hen is namelijk partij bij die overeenkomst.
Voor zover de VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen aanvoeren dat zij vertrouwen kunnen ontlenen aan de afspraken in de anterieure exploitatieovereenkomst over parkeren omdat daar gedurende de bestemmingsplanprocedure naar is verwezen, hebben zij dit niet aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter stelt in dit kader ook vast dat, anders dan de VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen aanvoeren, in de nota van zienswijzen bij het bestemmingsplan niet staat dat er op eigen terrein parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden.
15.3. De voorzieningenrechter ziet hierin dan ook geen aanleiding om de schorsing in stand te laten.
Kortsluiting
16. Het college heeft de voorzieningenrechter ook verzocht om met toepassing van artikel 8:86 vanPro de Awb tegelijk te beslissen in de bodemzaak. De voorzieningenrechter doet dat niet, omdat voor de beoordeling van een aantal beroepsgronden nader onderzoek in de bodemprocedure noodzakelijk is. Daarbij is van belang dat de door de Afdeling aan de VVE, [partij] en anderen en [gemachtigde van de VvE] en anderen gegeven reactietermijn tegen het herstelbesluit nog loopt.
Conclusie
17. De voorzieningenrechter ziet in de verzoeken van het college, Viverion en Plegt Bouw aanleiding de bij uitspraak van 25 augustus 2025 getroffen voorlopige voorziening op te heffen.
18. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. heft de voorlopige voorziening, getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2025, ECLI:NL:RVS: 2025:4044, op;
II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan Stichting Viverion en Plegt Bouw B.V. het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 579,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 579,00 voor de behandeling van het verzoek terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.