ECLI:NL:RVS:2026:2628
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek was gericht tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 13 maart 2026, waarbij de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling werd genomen.
De rechtbank Den Haag had eerder het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening, zodat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep was beslist en hij opvang en verstrekkingen zou ontvangen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank zou worden vernietigd. Daarbij werd meegewogen dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming op grond van de Dublinverordening. De overdracht aan Frankrijk zou geen onomkeerbare gevolgen hebben, omdat verzoeker eventueel vanuit Frankrijk teruggeleid kan worden naar Nederland indien Nederland uiteindelijk verantwoordelijk wordt geacht.
Op grond van deze overwegingen wees de voorzieningenrechter het verzoek af en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.