ECLI:NL:RVS:2026:2630
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling zonder schending non-refoulement
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 2 maart 2026 in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het risico op refoulement in de motivering van de maatregel was betrokken en dat geen belangen uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn of het non-refoulementbeginsel aan de uitzetting in de weg stonden. Het hoger beroep bevatte geen vragen die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin betroffen.
De Afdeling zag ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van appellant wordt bevestigd.