BRS.25.001180
Datum uitspraak: 8 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 augustus 2025 in zaak nr. NL25.32548 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2025 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 1 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft hierop niet gereageerd.
Overwegingen
1. Wat appellant in zijn eerste en derde grief aanvoert leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant klaagt in zijn tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij kan terugkeren naar Algerije. Hij wijst er daarbij terecht op dat de rechtbank had moeten inzien dat niet duidelijk is op basis van welke aanwijzingen de minister aanneemt dat er een link is met Algerije. De minister heeft hierover in zijn schriftelijke inlichtingen toegelicht dat appellant stelt dat hij uit een wijk komt die niet in de door hem genoemde regio in Marokko ligt. Hoewel dit mogelijk een aanwijzing is dat appellant niet uit die regio afkomstig is, kan uit deze informatie niet worden afgeleid dat hij naar Algerije kan gaan. Dat geldt ook voor het vermoeden van de regievoerder, die volgens de minister het Marokkaans Arabisch als moedertaal heeft, dat appellant op basis van zijn accent uit Algerije afkomstig kan zijn. Appellant wijst er terecht op dat niet is gebleken dat de regievoerder deskundig is en dat er geen taalanalyse is afgenomen. Dat uit de praktijkervaring van de Dienst Terugkeer en Vertrek volgt dat het zeer regelmatig voorkomt dat vreemdelingen van Algerijnse nationaliteit stellen Marokkaans te zijn en andersom, kan de minister tot slot ook niet baten. Zo’n algemeenheid is onvoldoende om te oordelen dat appellant concreet naar Algerije kan gaan.
2.1. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 juli 2025. De grieven roepen ook geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 augustus 2025 in zaak nr. NL25.32548;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 16 juli 2025, […]
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026
1017