ECLI:NL:RVS:2026:2636

Raad van State

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.001019
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 59b Vw 2000Artikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

Appellant werd op 4 februari 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 24 februari 2026 het beroep gegrond verklaarde, de rechtsgevolgen in stand liet en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling constateerde dat de rechtbank bij haar uitspraak in strijd had gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht door buiten de omvang van het geschil te treden. De minister had tijdens de zitting aangegeven dat een bepaalde wettelijke grondslag niet langer werd gehandhaafd, maar de rechtbank oordeelde toch anders.

De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, maar vond geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep werd daarom alsnog ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met vergoeding van proceskosten aan appellant.

Uitspraak

BRS.26.001019
Datum uitspraak: 8 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 februari 2026 in zaak nr. NL26.6845 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2.        De Afdeling constateert ambtshalve dat de uitspraak van de rechtbank in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.
2.1.        Op grond van deze bepaling doet de bestuursrechter uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek op de zitting. De minister heeft tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat hij artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet langer handhaaft als grondslag van de maatregel. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat deze grond niet aan de maatregel ten grondslag lag. Door te oordelen dat de minister de maatregel niet ook op deze grond heeft kunnen baseren, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de omvang van het geschil getreden.
3.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister moet wel de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 februari 2026 in zaak nr. NL26.6845;
III.        verklaart het beroep ongegrond;
IV.        wijst het verzoek om schadevergoeding af;
V.        veroordeelt de minister tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026
1017