ECLI:NL:RVS:2026:2636
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. den Heyer
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
Appellant werd op 4 februari 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 24 februari 2026 het beroep gegrond verklaarde, de rechtsgevolgen in stand liet en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat de rechtbank bij haar uitspraak in strijd had gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht door buiten de omvang van het geschil te treden. De minister had tijdens de zitting aangegeven dat een bepaalde wettelijke grondslag niet langer werd gehandhaafd, maar de rechtbank oordeelde toch anders.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, maar vond geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep werd daarom alsnog ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met vergoeding van proceskosten aan appellant.