ECLI:NL:RVS:2026:264

Raad van State

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
202506032/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:81 AwbArt. 2.17 Activiteitenbesluit milieubeheerAlgemene wet bestuursrechtOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake geluidsbeperking tennisactiviteiten Tennis Club Uitgeest

Het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest wees een handhavingsverzoek tegen geluidshinder door Tennis Club Uitgeest (TCU) aanvankelijk af, maar verklaarde bezwaar gegrond en legde een dwangsom op om tennis en padel niet langer dan tot 19.30 uur toe te staan. De rechtbank vernietigde deze besluiten en gaf het college opdracht een nieuw besluit te nemen, waarbij zij een voorlopige voorziening trof die tennisactiviteiten beperkte tot 07:00-19:30 uur.

TCU verzocht de voorzieningenrechter deze voorlopige voorziening te schorsen voor zover tennis na 19.30 uur verboden werd, stellende dat tennis niet in de last thuishoorde en dat de continuïteit van de club in gevaar kwam. De voorzieningenrechter oordeelde dat tennis wel onder het handhavingsverzoek valt en dat de beperking tot 19.30 uur in lijn is met het collegebesluit en de uitspraak van de rechtbank.

De voorzieningenrechter constateerde dat TCU is gestopt met padelactiviteiten, waardoor het college bij het nieuwe besluit alleen tennisactiviteiten moet betrekken. Metingen tonen overschrijding van geluidsnormen door tennis in de avond. De voorzieningenrechter vond de belangen van omwonenden zwaarder wegen dan de nadelige gevolgen voor TCU.

De voorlopige voorziening van de rechtbank werd deels gewijzigd door de termijn van zes weken na het nieuwe besluit te laten vervallen. Het verzoek van TCU tot verdere schorsing werd afgewezen. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt deels gewijzigd door het schrappen van de termijn, maar de beperking van tennisactiviteiten tot 19.30 uur blijft gehandhaafd.

Uitspraak

202506032/2/R1.
Datum uitspraak: 16 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
de vereniging Tennis Club Uitgeest (TCU), gevestigd in Uitgeest,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 4 december 2025 in zaak nrs. 23/5289, 23/5866 en 24/437 in het geding tussen:
1.       [partij sub 1],
2.       [partij sub 2A] en [partij sub 2B],
3.       [partij sub 3],
([partij sub 1] en anderen), allen wonend in Uitgeest,
en
het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2023 heeft het college het verzoek van 1 november 2022 van [partij sub 1] en anderen om handhavend op te treden tegen geluidhinder veroorzaakt door TCU afgewezen.
Bij samengesteld besluit van 4 juli 2023 en 26 juli 2023 heeft het college het door [partij sub 1] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en TCU onder oplegging van een dwangsom gelast om geluidhinder te beëindigen door niet langer dan tot 19.30 uur het spelen van tennis en padel toe te staan.
Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college de last gewijzigd door tennis na 19.30 uur wel toe te staan.
Bij uitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank de beroepen van [partij sub 1] en anderen tegen de besluiten van 4 juli 2023, 26 juli 2023 en 20 december 2023 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, het besluit van 23 januari 2023 herroepen en het college de opdracht gegeven binnen twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak en met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het handhavingsverzoek van 1 november 2022. Daarnaast heeft de rechtbank een voorlopige voorziening getroffen.
Tegen deze uitspraak heeft TCU hoger beroep ingesteld.
Ook heeft TCU de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[partij sub 3] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
TCU, [partij sub 2A] en [partij sub 2B] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 8 januari 2026, waar via een videoverbinding TCU, vertegenwoordigd door [persoon], bijgestaan door mr. K. van Driel, rechtsbijstandverlener in Heemskerk, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.C. Agtersloot, mr. M. Dur en R.M. van der Werf, zijn verschenen. Verder zijn via een videoverbinding [partij sub 1], bijgestaan door mr. B. Benard, rechtsbijstandverlener in Wassenaar, en [partij sub 3], bijgestaan door mr. J. Boonstoppel, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
2.       Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en is niet bindend in de bodemprocedure.
3.       De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat bij TCU uitsluitend mag worden getennist en dat dit uitsluitend mag in de dagperiode (van 07:00 tot 19:30), tot zes weken nadat het college opnieuw heeft beslist op het handhavingsverzoek van 1 november 2022.
TCU verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening van de rechtbank te schorsen, voor zover daardoor niet na 19.30 uur mag worden getennist. TCU betoogt dat de rechtbank ten onrechte tennis bij de last heeft betrokken, aangezien het college gemotiveerd niet heeft willen handhaven op tennis en de oorspronkelijke klachten hier volgens TCU ook niet op zagen. TCU betoogt dat haar continuïteit onder druk staat, omdat de vaste lessen en competities niet door kunnen gaan en meer leden mogelijk hun lidmaatschap zullen opzeggen. Het verzoek van TCU om voorlopige voorziening heeft geen betrekking op padel.
4.       TCU heeft er in haar verzoek om voorlopige voorziening op gewezen dat uit de uitspraak van de rechtbank niet eenduidig volgt tot hoe laat tennisactiviteiten mogen plaatsvinden. In de beslissing van de rechtbank staat in het zogenoemde dictum namelijk dat mag worden getennist "in de dagperiode (van 07:00 tot 19:30)", terwijl de geldende regels 19.00 uur als eindtijd van de dagperiode kennen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer de dagperiode inderdaad laat eindigen om 19.00 uur en dat rechtsoverweging 12.2 van de uitspraak van de uitspraak eveneens dat tijdstip als eindtijd noemt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet in dit geval niettemin bepalend worden geacht dat het dictum van de uitspraak van de rechtbank een concrete eindtijd van 19.30 uur noemt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de eindtijd van 19.30 uur aansluit bij wat is opgenomen in het besluit van het college van 26 juli 2023. Mede in verband daarmee bestaat onvoldoende grond om te veronderstellen dat de vermelding van dat tijdstip in het dictum van de uitspraak van de rechtbank op een kennelijke verschrijving berust. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank zo moet worden gelezen dat tot 19.30 uur tennisactiviteiten mogen plaatsvinden.
5.       Over de vraag of het handhavingsverzoek uitsluitend zag op padel of ook op tennis, heeft de rechtbank overwogen dat uit de bewoordingen van het handhavingsverzoek volgt dat het is gericht op handhaving van de geluidsnormen en daarmee ziet op geluidsoverlast vanwege de gehele inrichting. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet onjuist. Hoewel de voornaamste klachten zien op padel, is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat het verzoek om handhaving ook op tennis ziet.
6.       De voorzieningenrechter constateert dat TCU op de zitting heeft bevestigd dat zij is gestopt met padelactiviteiten en dat zij hier ook in de toekomst van afziet. Dit brengt mee dat het college bij het nemen van een nieuw besluit op het handhavingsverzoek dient uit te gaan van alleen tennisactiviteiten. Uit de door de Omgevingsdienst IJmond uitgevoerde metingen blijkt dat het op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen in de avondperiode van 45 dB(A) alleen al door tennisactiviteiten wordt overschreden. Het gaat daarbij om een overschrijding van 3 dB(A) op [locatie 1] en [locatie 2] en een overschrijding van 4dB(A) op [locatie 3]. TCU heeft op de zitting gesteld dat zij een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift voorbereidt. Indien dit verzoek ten tijde van het nieuw te nemen besluit al is ingediend, ligt het in de rede dat het college bij het nieuw te nemen besluit ook dit verzoek betrekt en beoordeelt of hiermee niet langer sprake is van een overschrijding van de normen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het college dit besluit binnen korte termijn moeten kunnen nemen, in ieder geval binnen de door de rechtbank hiertoe gestelde termijn. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen TCU naar voren heeft gebracht geen aanleiding om vooruitlopend op dit besluit het door de rechtbank als voorlopige voorziening bepaalde tijdvak voor het spelen van tennis te wijzigen. Hoewel TCU duidelijk heeft gemaakt dat de beperking voor haar nadelige gevolgen heeft, wegen deze gevolgen niet zwaarder dan het belang van omwonenden dat is gemoeid met het voldoen aan de geluidsnormen.
7.       De voorzieningenrechter voegt aan het voorgaande het volgende toe. Het college heeft ter zitting aangekondigd dat het voornemens is om zelf ook hoger beroep in te stellen en een verzoek tot voorlopige voorziening in te dienen, welk verzoek ertoe zal strekken dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen. Dit laatste omdat het college handhaving niet evenredig vindt. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van deze mededeling dat het college, als het college inderdaad dit standpunt wil innemen, het in de rede ligt dat het college dit, voorzien van een motivering, neerlegt in het besluit waartoe de rechtbank opdracht heeft gegeven. Dan bestaat de mogelijkheid dit besluit te betrekken bij de reeds aanhangige hogerberoepsprocedure.
8.       Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende over de termijn waarvoor de rechtbank haar voorlopige voorziening gaf. De rechtbank heeft bepaald dat de door haar getroffen voorziening doorloopt tot zes weken nadat het college opnieuw heeft beslist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet nodig is. Als het nieuwe besluit opnieuw strekt tot oplegging van een last onder dwangsom, is het aan het college om een passende termijn te stellen om de last uit te voeren. Als het nieuwe besluit niet strekt tot handhaving, dan is er geen reden om de werking van dit besluit nog zes weken op te schorten. In dat geval kan het nieuwe besluit volgens de hiertoe ingevolge de Awb openstaande wegen desgewenst aan de rechter worden voorgelegd.
9.       Het voorgaande betekent dat het verzoek gedeeltelijk moet worden toegewezen en voor het overige moet worden afgewezen.
10.     Gelet op de aard en de reden van de gedeeltelijke toewijzing ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en om het college te gelasten het betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat in de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2025 in zaak nrs. 23/5289, 23/5866 en 24/437 onder het zevende streepje van de beslissing "zes weken nadat" komt te vervallen;
II.       wijst het verzoek voor het overige af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026
195-1138