ECLI:NL:RVS:2026:2666
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering verblijfsdocumentuitspraak rechtbank
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 mei 2023 de aanvraag van betrokkene om vernieuwing van haar EU/EER-verblijfsdocument af en stelde vast dat haar verblijfsrecht was geëindigd. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 25 maart 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 31 maart 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een verblijfsdocument moest verstrekken.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep was beslist. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter overwoog de belangen van beide partijen en besloot de voorlopige voorziening toe te wijzen, zodat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.